Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anders... „Zoo'n zonnetje deed 'n mensch toch maar goed!"... 't Was jammer, dat ze nou niet tegen een buurvrouw kon zeggen, hoe mooi 't weertje toch was en hoe vroolijk die vroege morgen haar maakte.

Och kom, 't was toch eigenlijk ook maar gekheid, hoe kwam ze nou zoo vroolijk ?... Als ze nou nog een jong meisje was geweest, zou ze zeker gaan zingen... een jong meisje! Ha-ha!... een jong meisje!... Nou, dat was lang geleden... Kom, ze moest vórtmake, 't theewater zou al wel koke!

Rustig zat oud-grootje in haar stoel en slurpte met korte, behaaglijke teugjes haar kopje thee; d'r oogen half dicht voor 't lichtgeschitter en voor de geurige wasem van 't kopje, haar oude lijf koesterend in de warme zon.

't Raam stond nu open, dan kon 't mooie Paaschweer binnen komen.

Poes, voldaan over zijn extra schoteltje melk, zat al weer te droomen op de zonnig-warme vensterbank onder 't open raam, likte soms nog eens even met zijn tong langs zijn bek, om den smaak van 't lekkere hapje na te proeven.

De zonnestreep van tusschen de gordijnen was niet meer te zien, 't was nu overal zon en vroolijkheid in 't klein kamertje en oud-grootjes hart was ook vol zon en vroolijkheid.

Zeven slagen rengde de oude klok moeizaam op. Die klokkestem was al even schor en weifelend als ouwe Sientje's stem, die ook zoo moe kon ophijgen uit de benauwde borst.

Maar — al was ze oud en al was ze moe, die

Sluiten