Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telde, telkens wéér hooren wil, het dl mooier vindt telkens weer, — zóó bekoorde haar die Paaschgeschiedenis, — telkens weer.

Ze bladerde weer in haar Bijbel, zocht nu de plaats, waar beschreven stond, hoe de Heiland verscheen aan Maria... „Wacht 'es... Johannes, 's kijke... Johannes 20."

Maar toch — er was iets diepers in oud-grootje's ziel dan alle&n het verlangen naar de mooie geschiedenis. Ach neen, die eenvoudige vertelling zou haar oogen dien heerlijken glans, haar hart die groote blijdschap immers niet kunnen geven.

Oud-grootje had haar Heiland lief... Zij wist bet, dat 't ook voor haar zonden was, dat Hij de vreeselijke pijnen leed en den dood was gestorven aan 't kruis, maar dat Hij nu uit den Hemel neerzag ook op haar, eenzame vrouw; en dat ze met alles wat haar hart beroerde naar Hem mocht gaan... met haar blijdschap en met baar verdriet. En ouwe Sientje wist ook, dat de Heer haar liefhad, dat Hij voor haar zorgde, — dat 't wel van goeie menschen was, dat ze haar vrij woninkje en haar bedeeling en nog zooveel meer had gekregen, maar dat haar Heer in den Hemel al die menschen toch zoo vriendelijk en goed voor haar maakte, — dat Hij haar gelukkig en tevreden deed zijn.

In oud-grootje's hart was een innig dankgebed. Nu, op dezen vroolijken, goeden morgen, voelde zij den grooten rijkdom van baar levensvrede, en haar dankbaarheid steeg in stilte ten Hemel tot haar Heiland en Heer.

En toch, toch...

Even, juist door die dankbaarheid nu, was er een

Sluiten