Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en wist toch zelf niet, waarop ze wachtte; „Opoe, opoe!" hoorde ze vroolijke stemmetjes roepen en ze wist toch niet, vanwaar ze kwamen; ze zag een vrouw gaan met gebogen hoofd, in lange zwarte kleêren, en ze wist toch niet, waarheen die ging. . . Dat was Maria in den hof!... Nu zag ze't in eens. Wat was die arme vrouw bedroefd, hoe schreide ze . . . Vreemd nou; hoe kon dat nou? 't Was al zoolang geleden, — maar ze wist 't toch zeker, 't was Maria; kijk maar, net zooals ze stond op de mooie, zwarte plaat bij d'r dochter thuis... Wat was dat vreemd ! Hoor nu, die stemmetjes roepen weer: „Opoe, opoe!" Neen ze ging niet naar ze toe, neen. . . Wat werd het kil iu 't bosch en duister, al maar duisterder; alleen giuds bij Maria was de heerlijke gloeiende zon.

Wat was die arme vrouw bedroefd. Wist die 't dan nog niet, dat de Heere Jezus was opgestaan, wist ze dan niet, dat ze niet meer schreien mocht?

Toen kwam er een heilige jaloerschheid iu Oudgrootjes ziel: Maria zocht den Heer en ze was zielsbedroefd en ze dacht aan niets anders dan aan haar Heiland, maar straks, o, dan zou de Heer haar troosten en haar gelukkig maken. Maar zij, ouwe Sientje, was slecht, veel slechter dan Maria; zij dacht niet aan den Heiland alleen, zij dacht aan allerlei andere dingen.

Wat werd 't hier donker en eenzaam. Wat een nevel: ze kon nog alleen de boomtoppen zien... Ginds was de zon.. . maar waar was Maria ?

O ud-grootj e stond op, haastig op, wilde n aar de zon.

„Opoe, Opoe!" riepen de stemmetjes.

Neen, ze luisterde niet, weg moest ze, niets meer wilde ze hooren... 0, die nevel. Weg!

Sluiten