Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat was het 'em nou juist: Jan hield niet van de fijnen, kon ze niet uitstaan, ,,'t Waren allemaal huichelaars", zei-d-ie. En als oud-grootje er maar van repte, dat hij op den verkeerden weg was, dat de Heer in den hemel toch de zonden zag, ook dat Jan Zondags in de kroeg kwam en dat hij zoo'n slecht voorbeeld gaf aan z'n kinderen. .. dan stoof hij op, schold hij en vloekte. . . „Wat had ze met zijn zake noodig?"

O, en dan kon ze ook zoo kwaad op hem worden. Was 't dan niet waar? Zoo'n stijf kop! Dan zei-d-ie soms niks meer; dan had ze 'm wel door elkaar willen schudden. Moest-ie dan niet naar den raad van een oud mensch hoore?

En Riek? Nou, die was al geen haar beter; die hield 't maar met d'r man, stond d'r ouwe moeder achter en ging ook al 'nooit meer naar de kerk. Zou ze nog wel eens bidde?. . . Was ze nou toch zóó goddeloos opgevoed?. .. O, als de Heer kwam met Zijn straf!... Oud-grootje beefde, voelde dat haar liefde voor die twee toch nog veel, véél grooter was dan haar boosheid.

Straks, bij haar eigen thuis had ze gebeden — ook voor hen.

Haastig, vóór de buurvrouwen uit, was ze van de kerk naar huis gegaan. En daar — in 't kleinkamertje — was de strijd gestreden tusschen haar gekrenkte eigenliefde en haar plicht, 't Was niet gemakkelijk geweest, lange niet, hoor! Iu 't eerst was ze maar koppig geweest... Vijf weke, 't was 'n schande... Zij moesten 't eerst komme ! Maar toch — ze had de zwaarte yan die booze gedachte

Sluiten