Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roeien drukken op haar ziel, ze had 't niet hunnen uithouden langer.

En in d'r leuningstoel was ze neergesmakt; haar armen op tafel; haar hoofd verdrietig er over heen gebogen, en ze had geroepen, haar handen krampig saÉLmgeknepen: „O Heer, 'k kan 't niet langer uithouwe... ik ben zoo slecht, ik ben zoo... ik kan 't niet meer!"..,.

Toen, kalmer weer, had ze om vergeving gevraagd en om sterkte. Wat was ze toch ook ondankbaar. Wat maakte de Hemelsche Vader haar gelukkig. Hij gaf haar dat stille, heerlijke vertrouwen, dat ze niet zeggen kon en dat toch altijd als op haar lippen leefde; Hij gaf haar dien kostelijken levensvrede, voor geen schatten ter wereld te koop. En nu, op dien blijden Paaschdag had ze den Heer bedroefd. Hoe donker was 't geworden in haar hart, dat dien morgen nog zoo blij en dankbaar geweest was. 't Was haar eigan schuld.

Om vergeving bad ze nu. En heel diep in haar ziel was het weten, dat Jezus in ontfermende liefde op haar neerzag, — als op Maria in den hof, — en oud-grootjes hart beefde van onuitsprekelijke blijdschap.

Maar — ah, dit wist ze nu ook; Zij moest óók vergeven, zij moest gaan en zoeken.. . Eu de Heiland zou ook in liefde eu barmhartigheid neerzien op haar afgedwaalde kinderen, als ze het Hem maar smeekten... O, Oud-grootje voelde 't.wel, dat die liefde van den Heer, die alles verzoenende, grooler en sterker was, dan de ergste zonde... O, misschien mocht zij die blijde boodschap wel brengen; misschien!

En — Oud-grootje was opgestaan? had haar lekkere

Sluiten