Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze sprak, zouden er weer uitbarstingen volgen.

„Was zij dan zoo vroom?" zouden ze vragen. O, als ze 't hen eens vertelde van van-morgen in de kerk, wat zouden ze lachen om haar slapende vroomheid. Even kwam de oude schaamte in oud-grootjes hart.

Doch — ze had een plannetje gemaakt. De Heer zou haar bijstaan, en als ze bang werd of ongeduldig, dan zou . ze bidden, altijd weer bidden...

„Ze slaapt... 'n Lief ding toch, hè?... Nou kende ze U toch wel. Kom 'k zal 'es gauw een lekker kopje koffie zette, hè!... Heb-ie zitte slape, 't is ook zoo'n end ?"... fluisterde Riek, die op haar teenen binnenkwam.

't Was al bijna donker.

Met z'n drieën kwamen ze 't hofje op, Jantje liep in 't midden, hield oud-grootje en z'n vader elk aan een hand vast, was al wat slaperig en zei niet veel meer; maar hij had Opoe toch nog weg willen brengen.

Stevig stapte oud-grootje de huisjes langs, als een overwinnaar, die zijn buit meevoert. „Nou had ze ook 'n joggie, net als vrouw Beukers in den hoek..."

Druk had ze met Jan loopen praten onderweg, als hadden die vele woorden van haar hem goed kunnen doen. Vreemd, ze hield toch wel veel van hem, d'n stijfkop... vooral vandaag.

Bij de deur namen ze afscheid, want Jantje moest naar bed. Hij kreeg nog een zakje klontjes mee. Oud-grootje duwde hem twee groote in den mond, frommelde de andere in zijn broekzak. Jantje vond 't goed, hij had slaap, zei nog maar alleen: „Opoe, de bok slaap nou al, hè Opoe?"

Sluiten