Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

peinsde over 't maaltje snijboonen, dat ze nog over bad in den inmaakspot, over varkenslapjes, over een koekje bij de koffie, een sinaasappel voor Jantje, een eierkoek voor kleine Sien. .. .'t Was immers feest.

Ze moest nou morgen nog wel boodschappen doen, deed 't liever niet op tweeden Paaschdag, maar 't kon nou niet anders...

En, opeens straalde uit oud-grootjes oogen de blijdschap van een mooie gedachte: Jenever? — Neen, dat niet; maar — voor Jan zou ze morgen een stuiver lekkere sigaren meebrenge, nou, dat zou-d-ie wel aardig vinde.

Morgen!.. . Wat was 't vandaag een mooie Paaschdag geweest; niet alleen mooi weer, maar heelemaal zoo'n mooie Paschen. En al haar kleine bedenkingen en lieve zorgen vergat ze nu toch: naar dat andere, dat veel grootere, ging haar verlangen uit.

't Was nu duister en stil in 't klein kamertje, maar in oud-grootjes hart was 't licht en vroolijk van juichende blijdschap. Ah, ze wist het nu — ze had het wel altijd geweten, maar 't ook weer altijd vergeten, — dat een vriendelijk zonnetje wel een blijden Paaschmorgen, maar toch geen waar geluk geven kon. Ach, een schaduw maakte de zon weg, een klein verdriet de blijdschap. Ze wist het nu, dat, wanneer de Heer bij haar was, ze dan alleen volkomen tevreden en gelukkig kon zijn... en in den hemel, d&^r was de eeuwige zonneschijn.

Naar de grauwe muren van de kerk, met de donkere klimop, waarin de vogels reeds lang ter ruste gingen, keek ze. En 't was haar, alsof die ouwe, trouwe kerk haar heerlijke blijdschap begreep. ..

Blij was ze, ja, omdat die ruzie was bijgelegd,

Sluiten