Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor zoover het terrein van het publiek recht betreft, ontbreekt tot lieden echter iedere algemeene rechterlijke controle op de handelingen der Overheid. Alle macht, die aan de Overheid toekomt, oefent zij, althans in beginsel, ondanks verzet, zonder rechterlijk verlof. Tegenstand vernietigt zij desnoods met geweld. Publiek recht vergunt dus aan de Overheid eigenrichting. En wat de verplichtinge.i betreft, die liet publiek recht aan de Overheid oplegt, de vervulling daarvan kan niet krachtens rechterlijk vonnis worden afgedwongen. Een rechter, die de Overheid tot handelen veroordeelt, is — behoudens uitzondeïingen aan het publiek recht onbekend. Zelf beoordeelt zij, öf en hoe zij gehouden is, iets te verrichten.

1 w eeërlei onrecht kan de Overheid op het terrein van het publiek ïecht dus straffeloos plegen, /ij kan in strijd met dat recht optreden, waar zij niet, of anders optreden, dan zij bevoegd is; zij kan in strijd met dat recht niet optreden, waar zij daartoe gehouden is. Tegen die schennis van het publiek recht door de Overheid moet de administratieve rechtspraak bescherming verleenen. Dit is haar doel.

§ 2. Omvang van de administratieve rechtspraak.

No. 1. Beperking ten aanzien van zekere organen van openbaar gezag. Begrip „administratief orgaan".

Evenwel, niet elke schennis van het publiek recht, waaraan de

\ erheul zich schuldig maakt, zal door den administratieven rechter gewraakt kunnen worden.

De uitoefening van het overheidsgezag, of zooals het misschien beter wordt genoemd, het openbaar gezag, is tusschen verschillende organen personen of colleges verdeeld; tusschen de Kroon, de Staten-Generaal. < e .linisters, de besturen van provinciën, de rijksambtenaren enz.

En nu zijn er in de eerste plaats verschillende organen, met openbaar gezag bekleed, wier optreden, om voor de hand liggende redenen, aan het toezicht van den administratieven rechter onttrokken moetwezen. Vooreerst de rechterlijke macht, dan de colleges met militaire oi sckutterlijke strafrechtspleging belast, benevens de gerechtelijke politie. \gl. de wet op de Rechterlijke Organisatie van 18 April 1827 (Staatsblad n . 20); de wet van 16 Juli 1869 (Staatsblad n°. 139), tot uitvoering der bepalingen van de artt. 33, 36, 37 en 38 der herziene av e omtrent de Rijnvaart; het besluit van den souvereinen Vorst der \ ereenigde Nederlanden van 20 .Juli 1814 {Staatsblad n°. 85), betreflende de rechtspleging bij de land- en zeemacht en houdende eene provisioneel» instructie voor het Hoog Militair Gerechtshof; de wet van 11 April 18*2< (,Staatsblad n°. 17) op de schutterijen [artt. 63 vv eo aQ«r/°ii\ ™ Koninklijk besluit van 4 Augustus 1839 (,Staatsblad 11: ' I; 'let " etboek van Strafvordering (artt. 8 v.v.) benevens verschillende speciale wetten.

Dan de raden van beroep, die in zake de personeele, de bedrijfs- en de vermogensbelasting in hoogste ressort recht spreken; de hoofdcommissie, bedoeld in de wet tot herziening van de belastbare opbrengst

Ontw. Adm. Rechtspr.

Sluiten