Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ringen te bemoeien. Zooals zij in het ontwerp geregeld is, grijpt de administratieve rechtspraak immers overal in, voor zoover eene bijzondere bepaling dit niet belet. Slechts zal bij het ontwerpen der Invoeringswet moeten worden nagegaan, welke dier uitzonderingen op de bevoegdheid van den administratieven rechter opgeheven behooren te worden. Zoo zal bijv. aan de rechtspraak van den burgerlijken rechter in zegel-, registratie- en successierechtzaken ongetwijfeld een einde gemaakt worden.

HOOFDSTUK IT.

Omvang en geledingen van het rechterlijk onderzoek.

§ 11. Onderzoek van reclitspunt en feiten.

De door de Overheid gepleegde wetsschennis kan tweeërlei oorzaak hebben. Zij kan haren grond vinden in verkeerden uitleg der wet of in verkeerde waardeering der feiten. Zal het rechterlijk onderzoek eenen werkelijken waarborg vormen tegen rechtsschennis, waarover geklaagd wordt, dus niet alleen aan de wet kunnen toetsen; dan moet hij ook bevoegd zijn, zelfstandig onderzoek te doen naar de feiten, voor de aanwending der wet in het gegeven geval van belang. Ontbrak den rechter de bevoegdheid tot eigen feitelijk onderzoek, de administratie had het in hare hand, door verkeerde voorstelling der feiten bijna iedere wetsschennis te dekken. Het administratief geding moet derlialve zijn eene volle instantie. Yg. afd. 1—9, Titel 3 B, TI, bepaaldelijk artt. 84, 100 w., 126 w., 109 vv., 188 Ontwerp.

§ 12. Rechtspraak in twee instanties en in cassatie.

Een tweede vereischte is, dat deze rechterlijke instantie ligt binnen het bereik der justiciabelen. Instelling van eenen administratieven rechter, zetelend bijv. te Utrecht, zou ieder, die over eene wetsschennis, hoe gering ook, wilde klagen, verplichten eene reis naar Utrecht te maken en zijn getuigen en deskundigen de kosten eener reis naar die stad te vergoeden. Zonder persoonlijke verschijning en zonder de tegenwoordigheid van getuigen of deskundigen, zal het beroep op den rechter toch dikwijls vruchteloos zijn. In administratieve gedingen gaat het ook herhaaldelijk om geringe geldelijke belangen. Een groot deel deiklagers zou bovendien, om kosten van eenige beteekenis, van het beroep op den rechter moeten afzien. Er zullen derhalve lagere rechters moeten zijn, verspreid over het gansche land.

En daar zoowel de rechter als de partijen bij het gerechtelijk onderzoek verzuimen kunnen plegen, zal er eene tweede instantie moeten wezen, waar de fouten der eerste kunnen worden hersteld. Slechts in zoover zal van den eisch eener tweede instantie mogen en zelfs moeten worden afgeweken, als beroep wordt ingesteld tegen besluiten, in administratief afpel genomen.

Het beroep tegen zulke besluiten, waarbij de administratieve appèl-

Sluiten