Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanzien schaden. In ieder geval, als centrum eener enkele rechterlijke macht, die de besten onder hare leden telt, zal de hooge raad met zijne traditie van bijna eene eeuw, noodwendig een eniineiitei* standpunt innemen,, dan een zelfstandige administratieve rechter, hoe hoog- verheven ook, ooit bereiken kan.

HOOFDSTUK IV.

Het proces.

§ 18. Karakter van het proces. Onderzoek van eene klacht,

niet van eene vordering.

Wanneer zal de rechter van zijn controle-recht gebruik maken, besluiten, weigeringen of handelingen der administratie wettig of onwettig verklaren en de Overheid tot handelen of besluiten veroordeelen ? Als hem daartoe door de betrokkenen het verzoek wordt gedaan. Want er bestaat niet de geringste aanleiding, de gedragingen der Overheid aan rechterlijke critiek te- onderwerpen, zoolang deze niet door de naastbetrokkenen wordt verlangd.

"W ie den rechter aan het werk wil zetten, kan echter niet volstaan met een algemeen verzoek tot rechterlijke tusschenkomst. De rechter behoort toch te weten, welke machtsoefening van hem verlangd wordt. De verzoeker zal derhalve den omvang van 's rechters werkzaamheid moeten bepalen. Hoe zal hij dit nu doen ? Door, zooals in het burgerlijk proces, naar aanleiding van zekere wetssckennis een bepaalde machtsoefening van den rechter te vorderen ? of door eenvoudig de wetsscheimis, d. i. liet. besluit, de weigering of de handeling der administratie, waardoor de verzoeker zich gegriefd acht, nauwkeurig omschreven ter kennis van den rechter te brengen, met verzoek te doen, wat de wet eischt?

In het eerste geval is de rechter aan de vordering van den verzoeker gebonden in dezen zin, dat hij nooit grooter macht mag oefènen, dan door den verzoeker is gevraagd. In het tweede geval is de rechter slechts gebonden aan het onderwerp dei' klacht. Hij mag dan enkel oordeelen over de weigeringen, handelingen en besluiten, waartegen de klacht gericht is. Hij beslist echter, zooals ingevolge de wet ten aanzien van deze onderwerpen beslist moet worden, onverschillig of zijne beslissing meer of minder geeft dan de verzoeker wenscht."

Alleen zulk eene bepaling van 's rechters taak, die hem enkel bindt ten aanzien \ an het onderwerp der klacht, is in overeenstemming met den bijzonderen aard van het publiek recht. De verwezenlijking van dit recht is, behalve, zaak van den onderdaan, ook en zeker niet in de laatste plaats, zaak van de Overheid. De verzoeker mag daarom niet in staat zijn, door eene gebrekkige formuleering zijner vordering, den rechter te beletten de wet in haren vollen omvang toe te passen. In dezen zin is de quaestie dan ook door art. 187 Ontw. uitgemaakt, V<>'. art, 53 Beroepswet.

Dientengevolge zal, in zijn wezen, het administratief geding niet,

Sluiten