Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lieeft echter geen nut, den rechter meer dan eens over dezelfde wetsschennis te laten beslissen. De rechter zorgt immers ambtshalve Voor het bewijs en hij vult ook de ontbrekende wetsgronden aan. De partijen hebben op den uitslag van het geding geen beslissenden invloed. Herhaald onderzoek van dezelfde klacht moet dus voorkomen worden.

Er zou, zoo schijnt het, bepaald kunnen worden, dat alle beroepen, tijdig tegen hetzelfde besluit of dezelfde weigering of handeling ingesteld, slechts één geding vormen. Maar zoo eenvoudig is het vraagstuk niet op te lossen. Immers, de beroepstermijn' kan voor den een eerst veel later verstrijken dan voor den ander. Daarbij komt, dat de rechter doorgaans niet weten kan, of een eventueele klager nog beroep zou kunnen instellen. De behandeling van beroepen, betreffende hetzelfde onderwerp, uitstellen, totdat de beroepstermijn verloopen is, zou dus eigenlijk beteekenen, dat hunne vereenigde behandeling naar een onbekend tijdstip verschoven werd. En bovendien, een spoedig ingesteld beroep mag toch maar niet voorloopig worden opg-eborgen, omdat er zich misschien nog een klager zal opdoen. Yg. artt. 78 vlg. Ontw. I.

Het ontwerp gaat daarom van liet beginsel uit, dat ieder beroep zelfstandig behandeld wordt. Maar op tweeërlei wijze heft het de nadeelen dier zelfstandige behandeling op. Vooreerst vergunt liet den rechter, desnoods ambtshalve, beroepen, die tegen hetzelfde besluit of dezelfde handeling of weigering gericht zijn, te voegen, d. i. in één geding op te lossen. Dat is echter nog niet voldoende. Herhaaldelijk zal voeging onmogelijk of ongeraden zijn, hetzij omdat het eene geding' reeds is afgeloopen, vóór het ander aanvangt, hetzij omdat het eene geding- reeds zoo ver is voortgeschreden, dat voeging tot belangrijke vertraging zou leiden. Er zouden dus — gesteld het ontwerp kende slechts facultatieve voeging — steeds gevallen overblijven, waarin twee of meer beroepen, betreffende hetzelfde onderwerp, afzonderlijk behandeld werden. En opdat nu deze afzonderlijke behandeling, voor zoover zij overbodig is, achterwege blijve, stelt het ontwerp twee regels op.

De eerste luidt aldus: niet-ontvankelijk is het beroep, ingesteld tegen besluiten, handelingen of weigeringen, die reeds bij gewijsde wettig of onwettig zijn verklaard. (Art. 144 Ontwerp). En'de tweede bepaalt: zoodra de rechter een besluit, eene handeling of weigering der administratie wettig of onwettig verklaart, worden de overige, over hetzelfde onderwerp aanhangige gedingen geschorst, totdat de reden der schorsing vervallen is (Art. 160 Ontwerp).

Dit is liet beginsel van de enkelvoudigheid van het wettigheidsonderzoek. Het steunt op de overweging, dat zoodra de wettigheid of de onwettigheid van een besluit, een handeling of weigering' vaststaat, ieder hernieuwd onderzoek naar de wettigheid of onwettigheid daarvan overbodig wordt, en bijgevolg ieder nieuw geding-, daarover loopend, moet worden afgesneden. Aan den anderen kant dienen echter alle belanghebbenden bij de wettigheid of onwettigheid in het proces, dat tot eene uitspraak daarover voert, te kunnen optreden. Het ontwerp verschaft hun daartoe ruimschoots de gelegenheid. Iedere onmiddellijk belanghebbende bij een besluit, eene weigering of handeling der Overheid kan namelijk als medeklager tusschenkomen in het g-eding-, reeds

Sluiten