Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weert volkomen ongegronde verzoekschriften. Vervolgens wordt geen nieuw onderzoek van de eenmaal besliste zaak bevolen, vóór de recliter de gegrondheid van het verzoek tot vernietiging althans summier heeft onderzocht. Hij doet daarom, alvorens, op het verzoek te beslissen, de pal-tijen oproepen. De wederpartij van den verzoeker kan hem dus hare bezwaren voordragen. En zoo noodig gelast de rechter bovendien nog voorloopig feitelijk onderzoek (artt. 253 vv. Ontw.).

Is de rechter van oordeel, dat er inderdaad nieuwe feiten aangevoerd zijn, die aan de juistheid zijner uitspraak doen twijfelen, zoo schorst hij het aangevallen gewijsde. Die schorsing is de aanvang- van een geheel nieuw onderzoek der zaak. Na afloop daarvan valt de uitspraak, die het geschorste gewijsde bevestigt of vernietigt (artt. 255 vv. Ontw.). Aldus verloopt het proces ten minste in den regel, want indien de hoogere rechter, die de uitspraak van eenen lageren bevestigd heeft, zijne bevestigende uitspraak zou moeten schorsen, kan hij eenen anderen weg inslaan. In dat geval vergunt hem namelijk art-. 257 Ontw. zijne eigene uitspraak te Vernietigen, de bevestigende uitspraak van den lageren rechter te schorsen en het geding ter nieuwe behandeling naar den lageren rechter te verwijzen. De wenschelijkheid dezer afwijking ligt voor de hand. Op deze wijze wordt toch, zonder veel omslag, het onmiskenbare voordeel verkregen, dat het nieuwe onderzoek kan worden gehouden door den rechter, die de getuigen en deskundigen, op wier verklaringen is recht gedaan, zelf ondervraagd en gehoord heeft.

Voor de verliezende partij is de vernietiging van een gewijsde een onverwachte tegenslag. Zij waande het geding reeds onherroepelijk afgedaan. Nu wordt het plotseling in anderen zin beslist. Dat kan hard zijn. Maar onbillijk is het niet. Niemand kan toch ooit recht hebben op de bestendiging van eenen toestand, die in strijd is met de wet. Toch mag de rechtsonzekerheid, die de mogelijkheid van vernietiging schept, niet te lang duren. Daarom sluit het ontwerp de aanwending van dit buitengewone rechtsmiddel uit, zoodra meer dan twee jaar zijn verloopen, nadat een uitspraak in kracht van gewijsde gegaan is (art. 250, lid 2, Ontw.).

Ten slotte houdt art. 261 Ontw. aanspraken, waarover bij een gewijsde beslist is, ondanks de vernietiging daarvan, in stand, als zij inmiddels door derden te goeder trouw verworven zijn.

Over het gebruik van liet woord „aanspraken" in art. 261 Ontw. vg. de M. v. T. op die bepaling.

§ 28. De herziening van onderling onvereenig bare gewijsden.

De bepalingen omtrent de absolute en de relatieve competentie verdeelen de administratieve rechtspraak tussclien de verschillende administratieve rechters. Die rechters kunnen zich vergissen omtrent de grenzen hunner taak, zich bevoegd verklaren, waar zij juist onbevoegd, zich onbevoegd verklaren, waar zij juist bevoegd zijn. En wat hoofdgeschil voor den eenen is, kan als praejudicieele vraag ook dooiden anderen worden beslist. Ten aanzien van hetzelfde onderwerp kunnen dus onvereenigbare administratieve gewijsden geveld worden.

Sluiten