Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nistratieve klachten over besluiten, handelingen en weigeringen der administratie af. Met deze eenvoudige voorschriften (artt, 2 en 2b) is de competentie der beide rechters volledig geregeld. Gewis, iemand zou met de wet, maar dan met de tege n w oordige wet in de umd gevallen kunnen aanvoeren, waarin de ontworpen artikelen 2 en

■ R. O. te kort schieten. Daar zijn b.v. provinciale belastingaans agen. Als zij niet vrijwillig- voldaan worden, kunnen zij niet bij dwangbevel worden ingevorderd. Gelijk overal, waar de administratie zich met zelf door parate executie recht verschaffen kan, behoeft zij hier dus de hulp van eenen rechter, die den weigerachtige tot voldoening veroordeelt. Maar noch art. 2 noch art. 2b Ontw. (R. O.) II stellen eenen rechter te harer beschikking: art, 2 niet, omdat het hier eene publiekrechtelijke, niet eene privaatrechtelijke aanspraak geldt; art. Jj niet, omdat het hier om eene weigering van eenen belastingschuldige, niet om die van een administratief orgaan gaat. En derhalve is, zoo zou men kunnen concludeeren, de volledigheid der in de artt. *- ®n vervatte voorschriften aan hunne kortheid opgeofferd.

Inderdaad, dat zou de slotsom moeten wezen, indien de parate executie, bij de invoering der administratieve rechtspraak, even onvolkomen geregeld bleef, als zij thans is. Maar de Invoeringswet zal een stel algemeene voorschriften brengen, dat, onder de noodige waarborgen, aan de Overheid de bevoegdheid verleent, publiekrechtelijke aanspraken, van welke soort ook, tegen onwilligen bij dwangbevel door te zetten. Deze generale regeling zal ingrijpen, waar eene speciale ontbreekt. A g. o.a. artt. 14 vlg. wet van 22 Mei 1845 (,Staatsblad n • ~Z) op de ïnvord. van 's Rijks dir. belast.; artt. 258 en 260 Gemeentewet; artt. 3 vlg. wet van 9 Mei 1902 (,Staatsblad n° 117) tot toekenning van eemge bevoegdh. aan de besturen van watersch. enz En bijgevolg zal, met de invoering der administratieve rechtspraak, de Overheid tegelijk m zulk eene positie geplaatst worden, dat zij, ter handhaving harer publiekrechtelijke aanspraken, nimmer de hulp van eenigen rechter van noode heeft.

§ 36. Praejudicieele geschillen.

Speciale wetsbepalingen dragen den burgerlijken rechter hier en daar rechtsmacht in publiekrechtelijke geschillen op. Al zal de Invoeringswet die uitzonderingen voor een goed deel opheffen, een enkele za toch, zij het misschien ook slechts voorloopig, gehandhaafd moeten worden. Met deze afwijkingen van het beginsel, dat de burgerlijke 1 et' 1 i enkel m burgerlijke, en de administratieve rechter enkel in publiekrechtelijke zaken recht doet, zijn de gevallen echter nog niet uil geput, waarin de eene rechter rechtsbepalingen hanteert, wier handhaving principieel aan den anderen is opgedragen.

Gelijk tot heden voor den burgerlijken en den strafrechter gegolden heeft, dat de rechter van de hoofdzaak ook rechter van de bijzaak is, zal natuurlijk ook voor den administratieven rechter gelden, dat hii alle voorvragen van burgerlijk of strafrecht mag afdoen, waarvan de

Sluiten