Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewijsbeperkingen zullen opstellen. Daarom lieft liet ontwerp, in zake bewijs, hare verbindende kracht op. Dat is de regel, in art. 171 uitgesproken. De artt. 172 en 173 werken dezen, voor twee belangrijke speciale gevallen, nader uit. Vooral art. 173 is gewichtig.

Gelijk reeds bij de bespreking van het vrije goedvinden der administratie is opgemerkt (§ 6), treedt de administratie soms op, niet als eenig feit aanwezig is, maar als zij dit feit aanwezig acht. Voorwaarde voor de toepassing der wet is dan niet de aanwezigheid van het feit, maar de aanwezigheid van het oordeel der administratie omtrent het feit. En het feitelijk onderzoek des rechters beperkt zich bijgevolg in dergelijke gevallen tot de oplossing der eenvoudige vraag: is het dooide wet gevorderde oordeel der administratie aanwezig? Of, om dezelfde gedachte in anderen vorm te kleedeu, de rechter heeft, dan het oordeel der administratie te eerbiedigen, ook al is het met de feiten in strijd. De lagere wetgever zou dus al zeer gemakkelijk het feitelijk onderzoek des rechters naar verkiezing kunnen uitsluiten, indien hij het optreden der administratie niet van de aanwezigheid der feiten zelve, maar van de aanwezigheid van het oordeel der administratie daaromtrent kon laten afhangen. Dit misbruik nu wil art. 173 voorkomen.

Art. 175. Vg. art, 110, lid 1 en 2, Beroepsw. en art. 109 Ontw.

Art. 176. Vg. art. 110, lid 3 en 4, Beroepsw. Ook vervroegen deiuitspraak is vergund.

Art. 177. Vg. artt. 27 en 50 Beroepsw.

Art. 179. Vg. art. 109 Beroepsw. Soms kan de voorzitter de artt. 92 en 93 Ontw. niet toepassen, omdat hij eerst naderhand te weten komt, dat b.v. een beroep niet-ontvankelijk is. Er bestaat dan geen verzuim aan zijne zijde.

Artt. 180, 181 en 182. Vg. artt. 111, 112 enll3 Beroepsw. Art, 46 Ontw. maakt art. 111, lid 4, Beroepsw. overbodig.

Art. 183. Vg. § 3.

Vormen, wier inachtneming ni§t op straffe van nietigheid voorgeschreven is of wier verwaarloozing van geen invloed geweest kan zijn, kunnen straffeloos geschonden worden.

Art. 184. Vg. voor lid 2 § 8, en voor lid 1 § 3 n°. 1 en 2 en § 6.

Art. 185. Vg. voor lid 2 § 8, en voor lid 1 § 3 n°. 1 en 2 en § 6.

Art. 187. Vg. voor lid 1 en 2 § 18 benevens art. 53 Beroepsw.

Art. 188. Vg. § 23 (eerste beginsel).

Art. 189. Vg. art. 60 Beroepsw. en art. 86 Ontw.

Art. 190. Vg. art. 116 Beroepsw. benevens art, 46 Ontw.

Sluiten