Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 72. Vg. § 15, n°. 3, t. a. pl.

Art. 83. Yg. M, v. T. op art. BI Ontw, (R. O.) II.

Art. 83a. Vg. art. 61a Ontw. (R. O.) II en §15, n°. 3—5, t. a. pl.

Artt. 83b, 83c, 83d, 80 en 87. Yg. de artt. (ilb, G1p, 64 en 04a Ontw. (R. O.) II, benevens de M. v. T. op art. 47a hierboven.

Art. 93a. Yg. § 19, n°. 3, t. a. pl.

Artt. 97, 99, 100 en 104. Krachtens art. 95 zal de liooge raad in cassatie over administratieve zaken oordeelen. De cassatie-procedure in administratieve zaken wordt echter door ten deele andere beginselen beheerscht dan die in burgerlijke of strafzaken (vg. § 2G t. a. pl.). Vandaar dat al die voorschriften, die niet in het administratief cassatie-proces passen, ten aanzien van administratieve gedingen buiten werking gesteld moesten worden. Dit is geschied door de in de artt. 99 en 104 aangebrachte wijzigingen. Voor art. 100 vg. § 15, n°.3, t. a. pl.

Art. 102. Vg. art. 100 Ontw. (R, O.) II.

Art. 110. Vg. M. v. T. op art. 61 hiervoor.

Art. lila. Vg. voor lid 1: artt. 7, lid 2, en 44, lid 2, Beroepsw.; vg. voor lid 2: M. v. T. op artt. 64 en 64a Ontw. (R. O.) II.

Art. 113. Ten gevolge van de vorming der administratieve kamers en de vermindering van het ledental der burgerlijke en strafkamers (hoven en lioogen raad) zullen bij de invoering der nieuwe wetgeving de kamers der gerechten opnieuw moeten worden saamgesteld. Yg. art. 22 Reglement n°. I (art. 19 R. O.).

Art, 113, lid 2, verzekert, ondanks de wijzigingen in liet personeel, de regelmatige voortzetting van gedingen, bij de invoering der nieuwe wetgeving voor de oude burgerlijke en strafkamers aanhangig'.

Art 114. Art. 12a mag ten aanzien van leden der rechterlijke macht, die vóór de invoering der nieuwe wetgeving voor het leven zijn aangesteld, geene toepassing vinden. Zij hebben, als het ware, een verkregen, recht. Aan de benoeming, die onder de oude wetgeving plaats greep, ontleenen zij de aanspraak tot aan hunnen dood in functie te blijven. Daaruit volgt, dat zij die aanspraak prijsgeven, zoodra zij onder de nieuwe wetgeving eene nieuwe benoeming •— zij het ook voor liet leven — aanvaarden. De nieuwe wetgeving beperkt den duur deivoor liet leven opgedragen rechterlijke betrekkingen immers tot eene zekere leeftijdsgrens. Vandaar, dat art. 114 de toepassing van art. 12a slechts uitsluit, zoolang de rechterlijke ambtenaar, die bij de invoeringder nieuwe wetgeving voor het leven is aangesteld, in dezelfde betrekking werkzaam blijft. Wie na de invoering der nieuwe wetgeving eene nieuwe benoeming — zij liet ook voor het leven — aanvaardt, zal dus op vijfenzestig- of zeventigjarigen leeftijd ontslagen worden. Maar — en daarop dient gelet -— stelt de aanvaarding eener nieuwe benoe-

Sluiten