Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

king een met de jaren stijgende aanvangswedde verbonden was. Maar dit is niet altijd het geval. De in art. 13, lid 1, bedoelde ambtenaren ontvangen eene onveranderlijke wedde. Nu zullen de president van en de procureur-generaal bij den lioogen raad wel nimmer tot andere betrekkingen worden geroepen. Voor hen is daarom eene speciale voorziening- overbodig. Maar de rechters enz. en de kantonrechters te Amsterdam en te Rotterdam (art. 13, onder n°. 2 en 3) worden herhaaldelijk tot nieuwe betrekkingen benoemd. Te hunnen aanzien moet dus een bijzonder voorschrift de toepassing der artt. 11 en 12 mogelijk I naken. Dat doet art. 14 door te fingeeren, dat die ambtenaren bij een andere rechtbank of een ander kantongerecht, der eerste klasse dan die te Rotterdam of te Amsterdam werkzaam geweest zijn. Zoo wordt tevens voorkomen, dat de bevoorrechte positie, die zij te Rotterdam en te Amsterdam innemen, nog na hunne verplaatsing naar elders nawerkt.

Artt. 15—19. Ygl. de Memorie van Toelichting op het Ontwerp van AA et tot afschaffing der griffiers-emolumenten (IV).

Art. 20. De invoering der nieuwe wetgeving zou, zonder een voorschrift. als dat van art. 20, voor dezen of genen ambtenaar vermindering van salaris ten gevolge kunnen hebben. Een kantonrechterswedde kan bijv. van f 3000 tot f 2200 — althans in de eerste jaren — dalen, omdat het betrekkelijk kanton van de eerste naar de derde klasse wordt overgebracht. Art. 20 verzekert nu aan alle rechterlijke ambtenaren, bij de invoering dezer wet in dienst, het behoud van de wedde, waarop zij naar de bestaande wet recht hebben. Yg. ook § 6 slot.

Art. 21. De salarissen der hier bedoelde ambtenaren worden thans reeds periodiek verhoogd. Deze verhoogingen zijn echter anders geregeld, dan de in het ontwerp voorgestelde. Ten einde verwikkelingen te ooi komen, moest daarom bepa-ald worden, dat de 111 het ontwerp vastgestelde wedde eerst ingaat, nadat zij het naar de tegenwoordige wet te bereiken maximum heeft overschreden.

Evenwel, tegenover de ambtenaren, niet meer dan een of twee jaar vóór de invoering der nieuwe wetgeving aangesteld, zou het onbillijk zijn, het gezag der oude wetgeving onvoorwaardelijk te handhaven. Zij zouden nog een jaar of langer, totdat de eerste verhooging met f 400 plaats had, met f 1200 'sjaars genoegen moeten nemen, terwijl hunne collega's, na de invoering der nieuwe wetgeving aangesteld, dadelijk met f 1500 zouden beginnen. Daarom geeft art. 21, lid 2, aan de onder de oude wetgeving aangestelde ambtenaren het recht, zich onmiddellijk — indien hun dit Voordeeliger schijnt - - onder de lieerschappij der nieuwe wetgeving- te plaatsen. Vg. '§ G slot hiervoor.

22. De wijzigingen, die in de wet van 9 April 1877 {Staatsblad n. -9) gebracht moesten worden, waren zoo talrijk, dat aan het ontwerpen eener geheel nieuwe wet de voorkeur gegeven werd.

De Minister van Justitie, J. A. Loeit.

Sluiten