Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenover Robert's il m'est venu voir, dateerend van „autrefois", stel ik dit citaat uit L'Ecornifleur, Ch. X, van Jules Renard: Je cherche dans le placard oü je mets ma bouteille de chartreuse avec mon plateau et mes verres pour les deux ou trois amis qui me vienneni voir.

Over de plaatsing van het bijv. naamwoord is heel wat geschreven en altijd weer vindt men afwijkingen van de gegeven regels. Zoo trof mij in Gyp, L'Age du Toe (pag. 61)

joli in mais comme c'est pas un nom joli, alors on

coupe le commencement," daar ik mij herinnerde dat joli volgens de grammaire vóór het z-nmw. moet staan. Van Duyl er op naslaande, vond ik dat ik gelijk had, maar Robert won het ook hier weer van zijn voorganger. Ten aanzien toch van de bijv. nmw. joli, beau, vilain enz. zegt hij: „la langue moderne éprouve parfois le besoin de les rajeunir en plagant ces adjectifs après le substantif, soit a cause d'une modification du sens ..soit pour éviter une confusion..., soit encore pour appeler 1'attention sur la qualité, quelquefois par ironie" en 'n bewijsplaats — une femme jolie — ontbreekt evenmin.

Te vergeefs zoekt men in Robert naar de zinswending jeune comme il est (était), letterlijk = ons: jong als hij is (was), maar in beteekenis daar toch van verschillend. Immers: jong als hij is (was) heeft m.i. in het Nederlandsch twee beteekenissen, die zeer uitéénloopen, al zijn ze wel onder één hoedje te vangen. „De oorzaak, reden of grond kan aangegeven worden door een naamwoord, gevolgd door een bijzin met als (soms die): IJveraar als (of die) hij was, kon hij die lauwheid niet dulden", zegt Den Hertog in § 82 van zijn Nederlandsehe Spraakkunst II, gebruik makende van een constructie door Potgieter als 'n soort van tic gebezigd tot in 't oneindige. Ook Terwey heeft dezelfde theorie als Den Hertog en verder blijkt uit Van Dale, dat ook de schrijvers van dat woordenboek zulk een constructie

Sluiten