Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»Binnen gelijken afstand van de begraafplaats worden geen gebouwen opgericht of putten gegraven dan na bekomen verlof....(art. 16, 3e lid).

»In dit verbod zijn niet begrepen lijkenhuizen, doodgraverswoningen en bedehuizen of kapellen, met pastorijen of kostershuizen, ten dienste der begraafplaats te stichten" (art. 16, 4e lid).

«Elke algemeene begraafplaats heeft eene uitgestrektheid van minstens tienmaal de oppervlakte, benoodigd voor het vermoedelijk getal der aldaar jaarlijks te begraven lijken" (art. 17).

»De onderlinge afstand der graven, zoo aan het hoofd- en voeteneinde als aan de zijden, bedraagt minstens 0,3 Meter.

»Twee of meer lijken kunnen boven elkander worden begraven, mits boven elke kist een laag aarde van minstens 0,3 Meter dikte worde aangebracht, die bij een volgende begraving niet mag worden geroerd. De bovenste kist wordt met een laag aangestampte aarde van minstens 0,65 M. bedekt" (art. 22).

»De graven mogen niet dan met toestemming van den eigenaar en na verloop van tien jaar nadat er het laatst een lijk in geplaatst is, geroerd worden."

»De overblijfselen van lijken en kisten worden in een afgesloten gedeelte van de begraafplaats begraven" (art. 23).

»Een gesloten begraafplaats blijft gedurende tien jaren onaangeroerd liggen" (art. 25, 2e lid).

Wat onze Begrafeniswet niet uitdrukkelijk zegt, maar waarmede toch rekening dient te worden gehouden bij de adviezen, die het Staatstoezicht op de Volksgezondheid heeft uit te brengen betreffende de terreinkeuze voor den aanleg van nieuwe kerkhoven, is vervat in de beide volgende punten.

Het gekozen terrein zij er een met grof poreuzen bodem, en de richting van het grondwater zij afgewend van de naastbijgelegen woningen, zoo althans het gemiddeld peil van dit grondwater hooger ligt dan 3 M. onder de oppervlakte.

Ook zonder de hygiënische waarde der hierboven vermelde voorschriften te willen ontkennen of verkleinen, zou men toch

Sluiten