Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verzamelaar van opstandelingen, in wien Konovalaf en zijn gelijken een epischen voorganger meenden te zien I — vraagt de ongeletterde wel twintig maal, hetzelfde nogmaals te herlezen ; hij vestigt zijn levendige oogen op het boek, hij laat zich de plaats aanwijzen, waar het gedrukt staat; hij vraagt — en deze trek is scherp naar het leven geteekend —. «Is het mogelijk, dat deze letters dezelfde zijn als alle andere letters ?»

Zoo ontwaakt op den bodem dezer kelder onder in de bakkerij, te midden van de nachtelijke stilte en bij het eerste gloren van den aanbrekenden dageraad, het populaire Rusland tot de gedachte.

«Ik was uitgestrekt op de meelzakken, en nam van top tot teen deze krachtige gebaarde gestalte op, dat reuzenlichaam, uitgestrekt op de mat, die den trog bedekte. De geuren van warm brood, van zurendesem en kolendamp vei mengden zich in de lucht. De hemel werd verhelderd door het eerste lichte schijnsel van den nieuwen dag — een grijze lucht, die door de ruiten der luiken keek, welke verdonkerd werden door een laag meelachtig stof. Men hoorde het knarsen van de wielen eener telega, het pijpen van een herder, die zijn kudde verzamelde ...»

Ongetwijfeld moet men een andere herinnering aan denzelfden tijd en dezelfde plaats terugvinden in zijne novelle getiteld : zes en twintig en een.

Zij zijn met hun zes en twintigen arme drommels in den kelder van den bakker, om van den vroegen morgen tot den laten avond te kneden en in den oven te steken; zij zijn slecht betaald, schraal gevoed, verstoken van alle ontspanning, en zij achten hun ellendig leven gelijk aan dat van veroordeelden, welke men in de Siberische mijnen vastketent.

Een enkele zonnestraal komt somtijds hun somberen nacht vervroolijken ; hij dringt in dezen kelder door met den blonden haartooi en de heldere oogen van eene jeugdige dienstbode, in dienst bij een der buren. Als een snapachtige vogel houdt het mooie meisje een oogenblik stond op den drempel van deze afschuwe-

2

Sluiten