Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke gevangenis; zij vraagt eenige krakelingen; men kiest voor haar de schoonste uit en onder een zilverhelder lachje neemt zij ze mede.

Ongemerkt begint eene nog onduidelijk, gemeenschappelijke genegenheid deze verkankerde harten te vermurwen, zij gevoelen zich weder vastgehecht aan het leven, verheven boven zichzelven, door die stralende verschijning, welke hun nu en dan een weinig versterkt en verkwikt.

Als volgens een zwijgende afspraak, vermijden zij de hun gewone grove, onbehouwen taal in tegenwoordigheid van het bevallige kind ; zij is niet als de anderen zij willen er zeker van zijn. Tania is de goedaardige fee, de troostende Maagd hunner hel.

Een ontslagen soldaat verhuurt zich als halfwas bij den bakker; hij is een flinke, knappe jongen — erg trotsch op zijn doublé-ketting, zijn breloques en zijn veroveraarssnor.

De Don Juan van de kazerne bemerkt de bezoekster, en wedt, dat zij binnen een maand de zijne zal zijn. Vol verontwaardiging komen de overige makkers hiertegen in verzet; en allen bespotten den bluffer alsof hij het plan had gevormd het heiligen beeld te breken, dat onder de lamp aan den muur hing.

De soldaat is verslaafd aan het spel; op zekeren avond noodigt hij met een triomfeerend lachje zijn kameraden uit, om door een reet van de deur te komen kijken; het heele gezelschap snelt er heen: de ongeloovigen zien Tania met haar verleider afdalen in de naburige kelder ... zij komt weder naar buiten . .. hun oogen kunnen hen niet meer bedriegen; nu... «is zij, als de anderen!»

Aanstonds keeren die instinctwezens weder terug tot hun vroegeren staat van wilde dieren, welke de fee tot dusverre bedwongen had; in een zelfde vlaag van woede, snellen de zes en twintig naar de binnenplaats, omringen het jonge meisje en overstelpen het met verwijten en scheldnamen.

Zij heeft de onherstelbare misdaad begaan, waar-

Sluiten