Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezen op in een herberg; daar zingt men droefgeestige liedjes,. . . hij weent, deelt zijn ongeneeslijke kwaal mede aan de onbekenden, die smullen van zijn roebels, hij bedrinkt zich drie dagen lang en keert, ongelukkiger dan te voren, naar zijn molen terug ...

Ziedaar alles. Dat is niets nieuws. De oom van den goeden Tourguenief zag en oordeelde zeer juist, toen hij kort en bondig antwoordde aan de opmerkingen van zijn neef, die tot in het oneindige herhaald en gerekt worden door de personnages van Gorky. «Dat is luiheid!» — Onze schrijver is het hiermede niet eens; voor hem is het de diepgewortelde, algemeene, noodlottige kwaal.

Wij zijn niet meer gewoon aan dergelijke kinderachtigheden, maar zij vormen de kern en den grondslag van het werk, dat ik hier bestudeer: aan het einde van deze verhandeling zullen wij echter zien, dat dit romantisme in lompen misschien gewichtige letterkundige en maatschappelijke gevolgen met zich mede zal brengen.

Sedert onze schrijver de lagere volksklassen realistisch schetst of meent te schetsen, gunt hij aan de vrouw slechts een ondergeschikte plaats; zijn gewone personnages spreken over haar met spottende minachting en nemen haar beet.

Allen denken hierover zooals Konovalof: de vrouw is de geboren vijandin van de vrijheid, welke den zwerver boven alles liet is.

De bakkersjongen verhaalt aan zijn vriend, dat hij, vroeger als palfrenier dienst doende in een circus, opgemerkt werd door eene rijke groothandelaarster: deze trok hem tot zich en verschafte hem een aangenaam en gemakkelijk leven ; hij verliet haar echter ofschoon hij zeer met haar ingenomen was, en alleen omdat hij niet op dezelfde plaats kon blijven, «er was iets, dat hem elders heentrok » Konovalof voegt hierbij :

«Ik heb u de zuivere waarheid medegedeeld; het was, zooals ik u gezegd heb. Wat is daar voor verwonderlijks in ? De vrouw leeft, zij verveelt zich

Ik was slechts een koetsier, wel mogelijk, maar dat kon

Sluiten