Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun steden, hun arbeid, en hun rijkdommen; zij weten niet te scheppen, roemvolle avonturen te wagen, noch de schoone hartstochten te voeden en te voldoen, waardoor wij verdienen te leven.

Gorky schreef weleer een redefabel, getiteld: «De Duivel». Een man beklaagde zich, dat hij zijn hartstochten niet kon overwinnen. De duivel kwam binnen door het venster, zijn gewonen weg, en bood zijn diensten aan ; hij zal den zieke wel genezen ; een kleine heelkundige operatie kon volstaan. Evenals hij splinters uittrekt, rukt hij den een na den anderen, die vervloekte hartstochten uit het zieke hart; nadat de laatste verwijderd is, klinkt de genezen man hol als een ledige ton; er is slechts een onzelfstandige ledepop van hem overgebleven, met een vertrokken gezicht, waarop «de onbeschrijfelijke schoonheid te lezen staat, die de geboren idioten kenmerkt.»

Toen de rechtschapen Konovalof in de bakkerij zijn zwakheden betreurde, moedigde zijn vriend hem aan, om zich niet ongerust te maken, en bewees hem, dat hij een slachtoffer was, dat onveranderwoorlijk was voor het leven, de omgeving en de omstandigheden.

Hierop antwoordde Konovalof met een zeer prijzenswaardig inzicht en begrip van zijn vrijen wil:

«Ieder mensch is zijn eigen meester, en niemand heeft er schuld aan, dat ik een smeerlap ben. Aan wien de schuld, als ik drink? Wijzelf zijn de schuldigen voor het leven en voor onszelven.»

De laatste tolk van Gorky, de architect Chébonief, — in een pas verschenen roman: «Le Moujik», herhaalt nogmaals de klachten en opwerpingen van Gordieëf:

«Wat is het leven voor ons? Een feestmaal? Neen. Een arbeid? Neen. Een strijd? O neen!... Het leven is voor ons iets vervelends, iets drukkends, iets sombers, een soort van ondragelijke last. Wij dragen het al zuchtend van uitputting en klagend over zijn gewicht. Beminnen wij het leven? De liefde des levens! Deze woorden klinken zelfs vreemd in onze ooren. Wij be-

Sluiten