Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en, nevens andere, ook de godsdienstige instellingen en gebruiken uit den heidenschen voortijd.

Veel mythische stof is ook verwerkt in de Historici Danica, van den Deen Saxo Grammaticus, opgesteld rond 1200 en, in 16 boekdeelen, de geschiedenis bevattend van Denemark tot in 1187. De 9 eerste boeken berusten op mythologische verhalen, grootendeels op Noorsche godensagen. De overige deelen hebben meer historischen grond.

Eene hoofdbron van historische mythen zijn, natuurlijk, de beide Eddas : die van Scemund en die van snorri slurluson. De Scemuridar-Edda of de poetischeEdda, bestaat uit eene reeks van 34 godenen heldenliederen, waarvan het handschrift (nu te Kopenhagen) voor het eerst in 1643, door den Yslander Brynjolf Sveinsson, bisschop van Skalholt, gevonden en, waarschijnlijk te onrechte, aan den Yslandschen geleerden Scemund, gestorven in 1133, toegeschreven werd.

De liederen der Edda hebben geene vaste eenheid, maar zijn eene fragmentarische verzameling van kunstpoëzie, door de Skalden, of ofïiciëele Noorsche hofdichters, uit de oude volksoverlevering geput en bewerkt. Ook moet ieder lied afzonderlijk onderzocht worden voor het bepalen van ouderdom, afkomst en inhoud. Volgens de geleerde opzoekingen van K. mullenhoff, sophus Bugge en anderen, kunnen de oudste uit het einde der IXe eeuw, de meeste echter uit de Xe eeuw dagteekenen. Men kan onderscheiden:

a) Liederen ter eere van Odin, zooals : de Voluspa (de profetie) of het boek dat de schepping en het einde der wereld en der goden beschrijft, de Vegtamskvida (lied van Vegtamr : Odin) of Balde rs Droom, waarin Odin de toekomst voorspelt, het Havamal (spreuken des Hoogen), het Grimnirlied en het

Sluiten