Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den bewarenden grond der kunstgedichten losgerukt. Nochtans moeten de Duitschers zoowel als de noordervolken eene samenhangende godensage gehad hebben, vermits hier en daar in middeleeuwsche gedichten sporadische brokken voorhanden zijn : Hoe zal de volledige godensage weder opgebouwd worden?

Jacob Grimm heeft het eerst gewaagd een antwoord op deze gewichtige vraag te geven. In zijn werk: Gedanken über Mythus, Epos und Geschichte, 1812, beweerde hij dat in de gemeengermaansche heldensage menschelijke on goddelijke elementen samenloopen en dat de taak der toekomst was die twee deelen uit elkander te scheiden, om de rein mythologische stoffen onvermengd te verzamelen en ze dan met de Noorsche gegevens te vergelijken en aan te vullen. Dit grootsche plan, door Grimm opgevat, kon slechts later, door Lachmann en Müllenhoff beter op touw gezet en afgewerkt worden. Intusschen, beijverde zich J. Grimm, in zijne Deutsche Mythologie, Göttingen, 1835, en in een aantal kleinere geschriften, om eene aanzienlijke massa bouwstoffen van Duitsche, Fransche, Belgische volksgebruiken en bijgeloovigheden op te sporen, te vergelijken en daaruit het gebouw der Germaansche mythologie op te trekken.

Lachmann was de geniale baanbreker die de vergelijkende mythologie op het terrein brarht der streng historische kritiek. In 1829 verspijen zijn « Nibelungenlied », waarin hij de duizenden strofen der Nibelungensage wikte en woog, om de eerste kern der sage en hare hoofdelementen van de menigvuldige vreemde bestanddeelen, latere toevoegsels, glossen, herhalingen en stoplappen, door scherpzinnige, geduldige zifting te onderscheiden. Zoo kwam hij tot een helder doorzicht der logische eenheid in

Sluiten