Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wikkelingsstadium hebben weten te verheffen, zooals bij sommige wilde rassen nog waargenomen wordt. Het begrip echter der godheid veronderstelt een verderen vooruitgang. Het beteekent den geest die boven de stof zweeft als onafhankelijke beheerscher derzelve. Terwijl de natuurgeest, hoewel met bijzondere macht begaafd, toch binnen de palen der natuurkrachten leeft, is de god een wezen dat boven de elementen troont. Geesten of zielen worden enkel geëerd uit baatzucht en vrees, om voordeel te bekomen of schade af te keeren, maar de goden worden beschouwd als leiders der menschheid en vertegenwoordigen bijgevolg eene zedelijke macht, afgetrokken denkbeeld, dat enkel door een volledig ontwikkeld denkvermogen kan opgevat worden.

De naam God (Gotisch gud), meest in het meervoud gebruikt en van het onzijdig geslacht voor mannelijke en vrouwelijke wezens, is, in den eersten zin, enkel eene aanroeping van de opperste wezens die de wereld besturen. Het Gotisch Ans. meerv. Ansir (Noorsch Aza) beteekent eenen zegegevenden god. Het Indogermaansch Tivar (Grieksch Sio?, Latijn divus, deus) beteekent de lichten, de lichtgoden (Tiuz Zeus). Vanir beduidt de zeegoden of glanzende wezens. In het Noorsch worden de goden ook omschreven als Hopt ok bond, hou lers en binders, omdat zij de wereld samenhouden en binden.

Dat, reeds vóór de volksverhuizingen, de IndoGermanen tot het godsbegrip gekomen waren, blijkt uit het woord Tivar, alsmede uit de verscheidene bepalingen van die algemeene benaming der godheid, reeds in het oostersche vaderland ontstaan. Drie goddelijke wezens werden door de Indo-Germanen aangeroepen. Tiuz, de meester der Tivar, of de opperste lichtgod, zijn dubbelvorm of tweede

Sluiten