Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lantibus credunt, c. 7), dat aan de godheden afzonderlijke dienaars gehecht zijn, (sacerdos civitatis. — Se ut ministros c. 10) en dat deze de godheden aanroepen (precatus deos, 10), wat alles in de Scandinaafsche kunstmythologie waar blijft.

Hetzelfde volgt ook uit talrijke besluiten en verordeningen der kerkvergaderingen uit den bekeeringstijd, welke de heidensche goden als duivels beschouwen en vervolgen, en ze daarom niet altijd gewaardigen te noemen; uit de werken van Gerinanië's eerste apostelen; alsook uit de afzweringsformules bij de doopsplechtigheden gebruikelijk. Zoo moest in de Oud-Saksische doopformule van 772, verzaakt worden aan Thuner, Woden en Saxnoot. Saxnoot is een bijnaam van Tiuz, als officieelen strijdgod der Saxen, die zich saxnotas of zwaardgenooten noemden. Welnu Thor, Odin en Tyr zijn in het Noorden voorname goden.

Het is dan niet waar wat CAESAR zegt [De bello Gallico VI 21), (1) als zouden de Germanen enkel zichtbare natuurwezens tot goden verheffen, zooals de zon, de maan, het vuur, om het tastbaar nut dat zij den mensch verschaffen. Tacitus, die er veel meer van afwist dan Caesar, getuigt (Germania c. 9) dat het hoofdbestanddeel van hunne opvatting der godheid was : de eerbied : « Deorum nominibus appellant secretum illud quod sola reverentia vident. » Hij noemt eene geheele reeks Germaansche goden welke aan de Romeinsche beantwoorden, waarom hij ze dan ook met de Romeinsche namen opgeeft, en hij steunt er op dat de Germanen hunne goden aanzien als

(1) Deorum numero eos solos ducunt quos cernunt et quorum opibus aperte juvantur : Solem et Vulcanum et Lunam; icliquos ne fama quidem acceperunt.

Sluiten