Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Odin, en dus als hem ondergeschikt optreden, maar dat is Skaldenpoëzie, ontstaan aan de koninklijke hoven, wier aristocratische geest immer de kroon op het hoofd van Odin wilde zien blijven, en den boerenbeschermer Thor aan de vernedering prijs geven. De dienst van Odin is na dien van Thor in het Noorden ingevoerd en de bronnen der volksgeschiedenis getuigen dat, in de harten der gemeente, de dondergod boven den alvader in aanzien stond.

Adam van Bremen, sprekend van den tempel van Uppsala in Zweden, zegt: « In dezen tempel geheel met goud versierd, vereert het volk de beelden van drie goden : Thor, de machtigste onder hen, staat in het midden; van weerskanten zijn Woden en Freyr verbeeld. Dit beteekent het volgende : Thor is de meester van het luchtzwerk, hij bestuurt donders en bliksems, winden en regens, zonneschijn en vruchtbaarheid; de tweede, Woden, dit is -woede, leidt de oorlogen, en geeft den menschen sterkte tegen de vijanden; de derde is Freyr, die vrede en genot schenkt aan de stervelingen; dezes beelden maken zij als een grooten Priapus; Woden echter verbeelden zij gewapend, gelijk ze te onzent Mars verbeelden. Thor echter met zijnen scepter schijnt Zeus te vervangen. In den plechtigen eed, vastgesteld volgens het oudste IJslandsche recht, heeft Thor eene bijzondere eeremelding : « Ik zweer eenen wettigen eed, zoo waar Frey en Njórd, en de almachtige god (Thor) mij helpen (i).

In den tempel van Moere (Noorwegen) stond een Thorsbeeld, dat met goud en zilver opgesmukt, meer dan andere godenbeelden geëerd, door den christen

(i) Ares Islanderbuch, hrsgg, von W. Golther, Halle. 1892, s. 32.

Sluiten