Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afstand, Hrungnir wierp zijnen wetsteen, beide wapens botsten op een, de wetsteen brak; de eene helft viel op aarde (van daar komen alle wetsteenrotsen), de andere vloog op Thor's hoofd, zoodat deze ter aarde viel. Mjöllnir echter trof Hrungnir midden in het hoofd, zoodat zijn schedel verbrijzeld werd. Hiermede stortte hij voorover, en een zijner voeten lag op Thor's hals. Thjalfi, die intusschentijd den leemreus zonder moeite verwonnen had, wilde Thor verlossen, maar het ging niet. Andere goden konden het evenmin. Toen kwam Magni, de zoon van Thor en van Jarnsaxa, nauwelijks drie nachten oud, en redde zijnen vader. Thor prees hem en gaf hem Gullfaxi, het paard van Hrungnir. Toen reed de dondergod naar zijn paleis Thrudwang terug, maar de wetsteen stak nog in zijn hoofd. Eene profetes Gróa, vrouw van Aurwandil wilde hem door tooverliederen van den steen verlossen, maar Thor verhaalde zoo blijde dingen van Aurwandil (i), dat Gróa hare tooverliederen vergat en den wetsteen in Thor's hoofd liet steken.

Het Harbardslied hangt ons een treffend tafereel op, waarin de tegenstelling tusschen Thor, den boerengod, en Odin den beschermer der edelen, schilderachtig geschetst wordt.

Harbard (Grauwbaard), — naam waaronder zich Odin verstoken heeft, — stond als vaarman op een boot gereed om de reizigers over een meer te zetten. Thor, die van eene reis in het Oosten terugkwam, ging daar voorbij en verzocht overvaart. Hij beloofde den stuurman den kost te geven uit den welgevulden korf, dien hij op den rug droeg. Doch Harbard

(l) Over de heldensage van Orvendil verg. Grund. d. g. Philol. 2, 63.

Sluiten