Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. — De godinnen.

De blik, dien wij tot hiertoe over de lange lijst der Germaansche goden, hun ontstaan en hunne werkzaamheid geslagen hebben, heeft bewezen dat al de hemelbewoners van eenige beteekenis, althans deze, wier karaktertrekken duidelijk afgeteekend staan, ofwel verschillende voorstellingen ofwel afstammelingen zijn van den hemelgod. De bewondering voor het heerlijk schouwspel der hemelfakkel, die licht en warmte op aarde giet, is het machtig gevoel dat de eerste godheid geschapen heeft, en de hemelgod heeft langzamerhand bij onderscheidene volkeren en gelegenheden, zijn wezen eerst ontwikkeld en verhoogd, dan in verscheidene deelcn (mindere goden) gesplitst. Zulks is ook het geval geweest met de aardgodin, de vrouw van den hemelgod.

Dat de moederlijke aarde, bevrucht door de warme zonnestralen en andere weldaden des hemels, als echtgenoote van den hemelgod beschouwd werd, is niets dan nr.'. uurlijk. De zon omglanst de aarde, lacht haar toe, en koost en streelt haar als een bruidegom zijne bruid. Zoo wordt zij dan eerst opgevat als aardgodin, als vruchtbare moeder, van wie alle leven uitgaat, maar in wier schoot alle doode wezens terugvallen. Daarna wordt zij de hemelkoningin, de echtgenoote van Dys, Wbden of Freyr, het toonbeeld der vrouwen, de beschermster van het huisgezin en de geefster van den huwelijkszegen. In den eersten zin draagt zij bij Tacitus den naam Nerthus of Jord in het noorden; in den tweeden zin heet zij Frija,

Germaansche Godenleer.

8

Sluiten