Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Frigg smeekten om de genade van den huwelijkszegen. Odin en Frigg verhoorden zijne bede en Frigg zond de hemelinge Hljód met eenen appel naar de vrouw van Rerir, en de vrouw, na den appel gegeten te hebben, baarde eenen zoon, Wolsung, den stamvader van het geslacht der Wolsungen.

De ongetrouwheid van Frigg aan haren echtgenoot Odin wordt haar door Loki kort, maar hard verweten in de Ls. (str. 26) : « Zwijg, gij Frigg, Fjórgyns vrouw, gij, boeleerster, waart altijd mannenzot, aan Wili en We heeft Widrir's vrouw hare gunst, aan beiden, geschonken ». Zij voelt zich door dit verwijt zoo beleedigd dat zij met moeite haar spijt verkropt, en klaagt dat Balder niet meer leeft om haar over die schande door de wapens te wreken.

In de Ynglingasaga is de mythus meer opgeklaard, daar er gemeld wordt dat Frigg de vrouw werd van Wili en We, Odin's broeders, gedurende eene lange afwezigheid van dezen laatste.

Eigenlijk is daarmede enkel gemeend, dat Frigg niet altijd aan Odin had toebehoord, maar wel eerst aan Dys, den vroegeren hemelgod, kortom dat Odin, slechts na eenen voorganger overwonnen te hebben, de opperste hemelkroon had ontvangen. De gedachte van eenen hemelgod vóór Odin bestaande, of van eenen vroegeren gemaal van Frigg is tot eenen mythus uitgesponnen, waarin de ontrouw van Frigg een hoofdelement moest uitmaken, en waartoe dan twee uit te vinden broeders van Odin gemakkelijk stof gaven. In wezenlijkheid zijn die broeders eenvoudig twee verpersoonlijkte hoedanigheden, twee hypostasen van Odin. Wili (Wil) is de wilskracht en We de heiligheid van den hoofdgod, later tot afzonderlijke goden gemaakt.

Sluiten