Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar macht over de negende wereld, opdat zij dezen, die tot haar nederdalen, hunne verblijfplaats zou aanwijzen - het zijn de lieden die aan ziekten of ouderdomszwakheid vergaan —. Zij heeft daar eene groote woonplaats en de wallen zijn zeer hoog en de poorten breed. Etjudnir (plaagbereider) heet haar huis, Hungr (honger) hare schotels, sult (gebrek) haar mes; haar knecht heet Ganglati (traag van gang), hare dienstmeid Ganglot, de deur Neervallend onheil, de drempel, die binnenleidt, Tholmodnir (vermoeid door geduld), haar bed Kor (ziekenbed); Bleek ongeluk noemt men de bedgordijn of het voorhangsel. Zij is half zwart- en half vleeschkleurig, zoodat zij gemakkelijk :e erkennen is, en zij ziet er, met haar neerhangend hoofd, zeer kwaadaardig uit.

Zulke begrippen die Hel of het verpersoonlijkt verworpen menschdom voorstellen als beladen met alle straffen der zonden, kunnen moeielijk anders dan door tusschenkomst van christelijke beginselen opgeklaard worden. Want de hel was in de eerste tijden, zooals te zien is uit de voorbeelden van Balder, Brynhilde en Sigurd, geene plaats van straf, maar het algemeen oponthoud der afgescheiden zielen.

Reeds in de Voluspa is de beteekenis der Hel, als strafplaats voor misdadigen klaar in het licht gesteld. De profetes zegt : Eene zaal zag ik staan, ver van de zon, op Nastrand, de deuren naar het Noorden gericht. Door de rookschouw stroomde een regen van gift, want de wanden der zaal zijn met slangen omwonden. Daar zag ik waden door wilde stroomen meineedige mannen en moordgezellen, daar zoog Nidhogg aan ontzielde lijken, de wolf verscheurde menschen.

Hier staan wij voorzeker op de verhevene hoogte eener zedeleer -- ergerlijke misdaden zijn op ver-

Sluiten