Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE HOOFDSTUK : De Geesten.

Na het voornaamste deel der mythologische stof, de rij der Germaansche goden in oogenschouw genomen te hebben, willen wij de mindere wezens beschrijven, die den geloofskring onzer Germaansche voorouders bevolkten, om naderhand tot het onderzoek van het practisch deel hunner geloofsbelijdenis, de plichtplegingen van den eeredienst, over te gaan. De mindere wezens of geesten tot dewelke zich het geloof der Germanen uitstrekte zijn van verschillenden aard : zielen, maren, alven, reuzen. Indien wij de historische ontwikkelingsmethode volgden, zouden wij met de zielen aanvang nemen, daar deze het meest oorspronkelijke of eenvoudigste geloofsstadium uitmaken, gelijk wij dan ook al deze geesten aan de later ontwikkelde goden hadden laten voorafgaan. Daar wij het nu meer op klaarheid dan op evolutioneele orde gemunt hebben, moeten wij, na de eereplaats aan de goden ingeruimd te hebben, deze wezens laten volgen, die de goden meest nabij komen, nl. de reuzen.

i. — De Reuzen.

Reuzen en alven staan geheel buiten den mensch als autochtone wezens, zielen en maren ontstaan uit den mensch of zijn in hem nog werkend. De natuur der reuzen heeft meer gelijkenis met die der goden, de alven integendeel hebben menigen trek gemeen

Sluiten