Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ningen aan de bescherming zijner voorouders toeschreef, en deze daarom niet als enkele menschen, maar als halfgoden beschouwde. Ook worden de eerste stamvaders, voornamelijk van de koninklijke familiën met bovenmenschelijke krachten toebedeeld, dikwijls tot de goden opgeleid. De zielen der voorvaders verschijnen soms aan hunne afstammelingen, om ze in bijzondere omstandigheden te onderwijzen of te verwittigen. Zoo komen doode vrouwen Gunnar uitnoodigen om mede op hunne banken te komen rusten, wat zijnen aanstaanden dood voorspelt {Atlm. 27).

De Germanen geloofden dus aan eene zekere onsterfelijkheid der ziel, niet alleen in latere tijden, wanneer zij hun Walhalla met de schaar der uitgelezene strijders bevolkt hadden, maar ook in de eerste eeuwen hunner geschiedenis. Doch deze onsterfelijkheid komt niet tot nauwe bepaaldheid. Het objectief leven der zielen schijnt slechts te duren, zoolang zij subjectief in de gedachten der menschen herinnerd worden. Geesten en zielen die in het geheugen der levenden met euveldaden belast zijn, dwalen angstig rond, zooals hierboven bewezen is, totdat zij het onrecht hersteld hebben, en dan vergaat met hunne gedachtenis, ook het geloof aan hun bestaan. Die betrekkelijke onsterfelijkheid kan echter vernieuwd of voortgezet worden door eene wedergeboorte of zielsverhuizing. De ziel van een overleden stamvader kon namelijk in het lichaam van een pasgeboren nakomeling weder herleven. Zoo luidt het in het slotproza van het eerste Helgilied, dat Helgi Hjorvardszoon herboren wordt als Helgi Hundingsdooder, die in het andere lied optreedt, en dat Swawa, zijne verloofde, ook in Sigrun herleeft. Aan het einde van het tweede lied van Helgi Hundingsdooder,

Sluiten