Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den krijgsgod, maar dit was niet hun oorspronkelijke staat. Inderdaad, de walkuren zijn eigenlijk zielen van strijdende jonkvrouwen, die den dood op het slagveld overleven. Daarbij komt dan de gedachte van beschermgeesten en lotsvrouwen, die hunne vrienden in den strijd begunstigen. Nornen en walkuren hebben dit gemeens dat zij de zegepalmen onafhankelijk en willekeurig verdeelen. Dat de Germaansche vrouwen ook aan den strijd deelnamen, blijkt ten overvloede uit de geschiedenis der onderscheidene stammen. Tacitus {Germ. c. 7) getuigt dat zij medetrokken ten strijde en de mannen aanmoedigden. Vele vrouwennamen hebben in hunne samenstelling het woord hild (Brynhilde), vig (Hadewich) of gund (Aldegunde) die alle strijd beteekenen. Enkele namen van nornen in Grimn. 36 opgegeven, duiden aan dat de draagsters het lot der wapenen deelden. Zij heeten Hild (kamp), Thrud (kracht), Geirolul (speerdraagster), Randgrid [speerbreekster). De walkuren zijn dus werkelijk strijdende jonkvrouwen. Dat zij ook als overlevende zielen gedacht worden is uit den naam Mist te bewijzen, die aan een der walkuren gegeven wordt. Mist beteekent nevel, eene herinnering aan den pnysischen aard van den walkuren mythus, volgens welken de zielen, die tot walkuren werden, gelijk alven en alvinnen in wolken en nevels overgingen en in de natuurelementen voortleefden. Zoo geeft dan het wezen der walkuren een ruimen blik op het leven en het denken der Germaansche volkeren, en dit wezen is veel vrijer en edeler dan wat het in de latere Skaldenpoëzie van het noorden geworden is.

De walkuren rijden gelijk krijgers te paard. Gewoonlijk rijden zij met drie of negen te zamen. Eene der negen rijdt aan het hoofd der andere, en blinkt boven hare gezellinnen door schoonheid uit.

Sluiten