Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daaruit schijnt het planten van een meiboom ontstaan te zijn. Aan een dergelijk offer ter eere der vuurgeesten schijnt ook het noodvuur zijn ontstaan te moeten danken. Het bestond in alle Duitsche landen en leeft heden nog voort in Vlaanderen onder den naam van Sint-Pieters- of Sint-Jansvuur. Als eene groote ziekte de menschen of het vee overviel, moest alle vuur in de gemeente uitgedoofd worden. Dan werd een nieuw vuur te weeg gebracht door wrijving van twee stukken hout of botsing van twee steenen. Ieder inwoner moest een bussel stroo of hout aanbrengen om het vuur te onderhouden; daarna moest men door het vuur springen en er g:ften in werpen om de geesten te verzoenen. In het land van Aalst worden nog op Sint-Pietersavond groote vuren op eene opene plaats door de jongelingen aangestoken. Men brengt stroo en hout aan; jongelingen smijten er steenen in, loopen er rond en springen er door onder het zingen van : « Sinte Pieters vier, alle steenen branden hier! » Elders hoort men roepen : « Hout, hout! Sinte Pieter zijn voeten zijn koud ». Daarbij wordt veel gerucht gemaakt met lange zweepen, maar niemand weet waarom dit alles geschiedt!

Gemeenschappelijke offers zijn zulke, die in naam der gemeente, en wanneer de Germaansche stammen voldoende politieke inrichting hadden, in naam van den staat gebeurden. Deze werden niet door iederen persoon voor zich, maar door eenen daartoe aangestelden ambtenaar, door eenen priester voor geheel de bevolking opgedragen. Ten tijde van hun optreden in het licht der geschiedenis, wanneer ze door Tacitus werden beschreven, als nog op den laagsten trap der beschaving staande, hadden de Germaansche volksstammen, die met elkander verwant-

Germaansehe Godenleer.

Sluiten