Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

altaar, waarop het heilig vuur brandde en het tempelgerief stond, zooals de bloedketel en de borstel om het volk te besproeien, alsook de ring, waarop men den eed aflegde.

Rond dit gebouw was eene omheining om de heilige plaats tegen alle oneerbiedige bezoeken te vrijwaren, iets waarop de tempelhoeder te waken had. De tempel en de geheele ruimte binnen de omheining is zoo aan den god toegeheiligd, zoo in zijnen vrede en hoogste goed besloten, dat wie er met wapens binnenkomt den vrede stoort, wie er bloed vergiet, de plaats ontwijdt. De tempelschender deed Neidings(duivel's)werk. Hij werd verbannen of aan den grond geofferd. Frithjof was enkel des nachts in Balder's tempel gedrongen om met Ingeborg te spreken, die daar in de hoede des gods en des priesters bleef, en hij werd door koning Helge naar een ver eiland verzonden, en toen hij later onvrijwillig het vuur aan den tempel gestoken had, werd hij door het volk vogelvrij verklaard (Frithjofss. c. 14).

4. Orakels.

Bij alle heidensche volkeren heeft men zijne toevlucht genomen tot zekere middelen om den wil der goden te leeren kennen. Zooals bij de Romeinen bestonden er ook bij de Germanen twee soorten. Tacitus onderscheidt ze zorgvuldig in zijn werk over de Germanen (c. 10) : Sortes et auspicia : het lot werpen en voorteekenen waarnemen. Door het eerste vraagt men de goden zekere teekens te willen verklaren, die hunnen wil zullen kenbaar maken; door het tweede worden voorop bestaande teekens verklaard als uitdrukking van dien wil.

Het lot werpen gebeurde volgens Tacitus (c. 10)

Sluiten