Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vuurgeest, die met een vlammend zwaard in de hand, de grenzen van zijn rijk beschutte; op het einde der wereld moet hij komen, alle goden bestormen, en de wereld door het vuur verdelgen (i).

Wanneer de stormrivieren ver genoeg van hunnen oorsprong gestroomd hadden, dan versteef de giftige vloeibare stof, die zij in hunne wateren voortrolden, gelijk de slek in hare schelp. Die stof werd tot ijs en bleef beweegloos. Daar bestond reeds ijs, uit Nevelheim gekomen, dat zich nu met rijm bedekte, en zoo hoopten zich ijs en rijm opeen, de eene laag boven de andere, en strekten zich verder uit naar den afgrond. Zoo vervulde zich geheel het deel van Nevelheim dat bij den afgrond lag met dikke rijmen ijsmassas door regens en winden, na verstijving voortgebracht. Langs de zuidelijke zijde van den afgrond integendeel werd alles warm door de vonken uit Muspellheim opgeschoten. Doortrokken van de koude ijslucht uit het noorden en tegelijk van de heete vuurlucht uit het zuiden werd de afgrond lauw als eene lucht zonder wind. Maar als nu de warme lucht het ijs bereikte, zoodat het begon te smelten en af te druppen, ontstond er een wezen dat geschapen was gelijk een mensch. Zijn naam was Ymir (ruischer), maar de ijsreuzen, die van hem afstamden, noemden hem Orgelmir. Als Ymir nu sliep begon hij te zweeten, en daar groeiden hem onder

(i) Het eddisch verhaal heeft ongetwijfeld menigen trek met de Genesis gemeen; doch daarom moet niet noodzakelijk aan invloed gedacht worden. De schildering der Edda's bevat niets dan plaatselijke kleuren, een Noorman moest zich de schepping zóó voorstellen : in 't noorden ijs en nevels, in 't zuiden licht en warmte. Het Wessobrunner gebed vergeleken met Vol. 3 leert dat reeds vóór allen christenen invloed de grondgedachte der cosmogonie bij alle Germanen was : c in den beginne was er niets ». K. MüLLENHOFF, D. Alter turn s kunde 5. 15.

Sluiten