Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den linkerarm vrouw en man, en een zijner voeten teelde met den anderen eenen zoon, en zoo ontstonden zijne nakomelingen, de ijsreuzen.

Dit zijn de eerste natuurwezens, die in de inbeelding van een volk onophoudelijk met ijs en zee omgeven, persoonlijk gedacht worden. Het is de eenvoudige fantazie, onder den indruk der geweldigste natuurverschijnsels, niet het wijsgeerig verstand, dat het leven uit de stof doet springen, en den afgrond tusschen beiden doet uit het oog verliezen.

Daarop begon het ijs te smelten, en daaruit ontstond de koe Audumla. Vier melkstroomen sprongen uit hare spenen, en daarmede voedde zij Ymir; zij zelve onderhield haar leven met de koude ijsschollen te belekken. Toen zij den eersten dag aan het lekken was, kwam het haar van eenen man te voorschijn, den tweeden dag het hoofd van den man en den derden dag de man zelf. Zijn naam was Buri, en zijn zoon heette Bor. Deze laatste huwde de reuzin Bestla, en zij hadden te zamen drie zonen. Odin, Wili en We. Het waren deze die de wereld bestuurden.

Men ziet dus dat dan ook de goden uit de stoffelijke wereld voortspruiten, doch niet naar geheel hun wezen en oorsprong. Immers in dezelfde Gylfaginning wordt de godheid, het concept der gezamenlijke goden, de Alvader als eeuwig beschreven, en met de ijsreuzen of de even eeuwige oorstof de ijswereld gelijk gesteld : * Wat deed de Alvader eer dat hemel en aarde geschapen waren? * Het antwoord luidt : * Dan verbleef hij bij de rijmreuzen. » Maar zoohaast de ijsblokken door de koe belekt waren, en het leven begon te roeren, dan was de scheppende kracht van de godheid, die in de natuur begrepen

Sluiten