Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op eed verder geacht: oorlog en geweld hadden met hunnen sleep van plagen de wereld overrompeld. Grimmig zinnen de reuzen op wraak tegen de goden: zij bestormen gedurig de schepping, het werk der goden, en willen deze vernielen. Eens moet die wraak volbracht worden, dan zal de laatste strijd uitbarsten.

De Volva verkondigt plechtig de teekenen van het naderend einde: oorlogen woeden op aarde, de walkuren rijden gewapend in de rijen der helden (Vol. 30) ; de goede Balder, eerst door schrikkelijke droomen vermaand, wordt gedood, doch welhaast door Wali gewroken. De booze Loki wordt in boeien geklonken ( VqI. 35). Daar komen drie winters zonder zomer, alle natuurelementen zijn stormig geroerd. Eene reuzin baart het gebroed van Fenrir (Vol. 40), door hetwelk weldra de zon moet verslonden worden (zonsverduistering). Deze wolf voedt zich met het vleesch der lijken, en bezoedelt met bloed de zetelplaats der goden. Op een heuvel zit Eggther, de wachter der reuzen en slaat op de harp; boven zijn hoofd, in het vogelwoud, zit de schoonroode haan Fjalar en roept de reuzen ten kamp. Langs de zijde der goden is het Grullinkambi (de goudkammige), die door zijn kraaien de helden opwekt in Heervaders halle, en onder de aarde kraait de rosbruine haan om de helbewoners op te jagen. De hellehond Garm blaft luid vóór zijne rotsholte : de wolf Fenrir rukt zijne keten los en loopt rond. Dit alles gaat vergezeld van erbarmelijk zedenverval {Vol. 45) ; « Broeders begrimmen en dooden elkander, gezusterszonen breken de banden des bloeds; 't is erg in de wereld, daar heerscht veel ontucht; bijltijd, zwaardtijd, de schilden bersten; windtijd, wolftijd, eer de wereld verzinkt, — niet een van de menschen zal den anderen

Sluiten