Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt. Van onder de aarde ziet zij Nidhogg, den helledraak, gevlogen komen, die in de hel de lichamen der menschen en ook den wortel des wereldbooms verknaagde (Vol. 54-65). Hij draagt nu op zijne vleugels de lijken der booswichten, die hij afgeknaagd heeft en zweeft over de vlakte. Doch nu moet hij neerzinken, want zijn rijk is ten einde : in de vernieuwde wereld is er noch misdaad, noch dood meer :

overal heerscht gerechtigheid en vrede.

#

Vooraleer deze onze studie over de Oudgermaansche godenleer te eindigen, willen we nog een punt van algemeenen aard behandelen, en antwoorden op eene belangrijke vraag, welke de lezer ongetwijfeld meermaals zal gesteld hebben : geloofden de Oudgermanen inderdaad dat al deze goden, reuzen, geesten enz. wezenlijk zoo bestonden, ofwel zijn die theorieën slechts dichterlijke opvattingen door geleerden uitgedacht of door het volk zonder overtuiging verzonnen, met andere woorden: hadden de Germanen een echt heidensch, afgodsdienstig geloof, ofwel een poëtisch, dilettantisch wangeloof, zooals dat bij ons nog bestaat (verg. de folklor. tijdschriften).

Zeker en vast aanzagen de Oudgermanen in de 7", 8e, en ge eeuw nog met volle overtuiging de natuurelementen als godheden; zij vereerden b. v. de zon als een weldoenden god, duchtten de midgardslang als een vertoornd opperwezen. — Vindt men van dezen eeredienst, aan de omliggende natuurverschijnselen gebracht, geene sporen bij alle barbaarsche en zelfs beschaafde volkeren ? Is het niet bekend dat de Germanen menschen offers aan hunne goden opdroegen, dat Karei de Groote en andere vorsten door de macht der wapens en den invloed der

Sluiten