Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werpen. Hieraan werd niet voldaan, waarop de majoor Wolff onmiddellijk tot den aanval overging. De Bonieren hielden echter stand en trachtten zelfs de ruiters met lans en kris te lijf te gaan, zoodat een verwoed handgemeen ontstond, eindigende met de vlucht der Bonieren in Noordelijke richting achtervolgd door de cavalerie. De cavalerie kreeg bij dit gevecht 1 doode en 4 gewonden (1 officier) (1).

Dank zij de genomen maatregelen en de onderlinge samenwerking der verschillende wapens, was de hoofdplaats reeds om 11 uur voorm. in onze handen en lag de weg naar Palakka voor onze troepen open. De verovering van Boni kostte ons slechts 4 dooden en 22 gewonden; van den vijand bleven vele lijken op het gevechtsterrein achter (waaronder dat eener vrouw in manskleêren, gewapend met lans en kris); een zeker teeken dat hij gevoelige verliezen had geleden (2).

Nadat de cavalerie van de vervolging was teruggekeerd, werd de marsch naar Palakka voortgezet, zonder dat men verder één vijand zag. Tegen 21/» uur nam. werd deze plaats bereikt en aldaar het bivak betrokken.

De verovering van I*!»seini>«» en 1'simpaiioesi.

Den volgenden dag werd onmiddellijk een aanvang gemaakt, met het oprichten van loodsen enz. voor logies van de troepen, daar, zooals reeds

(1) De cavaleriecharge op den 6den December 1859, door 5 pelotons ± 160 paarden onder commando van den majoor Wolff uitgevoerd, kan tot nu toe als een eenig feit in de Indische krijgsgeschiedenis worden aangemerkt. Nog nimmer te voren greep een dergelijken cavalerieaanval bij een onzer expeditien plaats en ook gedurende den geheelen Atjeh-Oorlog werd tot nu toe nimmer eene dergelijke afdeeling tegelijk tegen den vyand ten aanval geleid.

(2) Als een bewijs, welke vreemde factoren soms invloed kunnen hebben in den strijd tegen Inlandsche

volkeren diene het volgende:

Gedurende de 2de Bonische expeditie droegen alle officieren en minderen, witte couvre-nuques. Toen nu de troepen op de vlakte voor Boni verschenen, sloeg den Bonieren de schrik om het hart toen zij die talrijke witte hoofddeksels zagen; immers bij de Inlandsche volkeren kleeden de voorvechters zich in het wit en dragen een wit hoofddeksel. De meeste Bonieren dachten nu, dat alle soldaten zich ten doode hadden gewijd, dat zij allen voorvechters waren en dus gezworen hadden te overwinnen of te sterven. Tegen een dergelijken vijand was het niet mogelijk te strijden.

Zie hieromtrent Perelaer : De Bonische Expediliën.

Sluiten