Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijze te vragen en de Atjehsche zaken nu voor goed tot eene oplossing te brengen. Zoo noodig zou eene sterke troepenmacht moeten volgen, om met klem op de inwilliging van onze eischen te kunnen aandringen.

Met het oog op den naderenden Westmoesson besloot de Indische regeering de land- en zeemacht al dadelijk vereenigd te doen optreden en werd bepaald, dat nog vóór het einde der maand Maart de expeditie van Batavia vertrokken moest zijn.

De leiding der politieke zaken werd opgedragen aan den Vice-president van den Raad van Indië, den heer F. Nieuwenhuijzen.

Op den lsten Maart ontving de regeering het bericht, dat een Amerikaansch eskader uit de Chineesche zee naar Atjeh koers gezet had, waarop besloten werd het vertrek van den Regeerings-Commissaris te bespoedigen en dezen de opdracht te verstrekken om bepaaldelijk te eischen, dat Atjeh onze souvereiniteit zoude erkennen. Hierdoor zou voor goed aan de mogelijkheid van vreemde tusschenkomst een einde worden gemaakt.

Tengevolge van den toestand, waarin de marine verkeerde, vertrok de heer Nieuwenhuijzen eerst den 7den Maart met 2 oorlogsschepen (zonder de landmacht) over Pinang naar Atjeh. Vóór zijn vertrek van Batavia was reeds bericht ontvangen, dat de Italiaansche regeering de handelingen van den Consul afkeurde, terwijl op den dag van zijn vertrek, de Indische regeering een dergelijk bericht omtrent Amerika ontving. Deze tijdingen brachten echter geen verandering in de door de regeering reeds genomen maatregelen.

Te Pinang komende, vernam de heer Nieuwenhuijzen, dat de Atjehers groote krijgsvoorraden hadden ingekocht en zich blijkbaar op den oorlog voorbereidden. (1) Naar aanleiding hiervan, vroeg en verkreeg de RegeeringsCommissaris vóór zijn vertrek van Pinang, machtiging om, indien de Sultan de hem gestelde eischen niet wilde inwilligen (in de eerste plaats,

(1) Van Augustus 187-2 tot Maart 1873 werden er van Pinang 5000 vaten buskruit en 1394 kisten geweren (± 15000) naar Atjeh uitgevoerd. (HOOIJER, De krijgsgeschiedenis van Ned.~Indie. Den Haag 1897, deel III.)

Sluiten