Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de erkenning van onze souvereiniteit), al dadelijk de kust van Atjeh te beschieten, zonder eerst de aankomst der troepen af te wachten.

Den 22sten Maart kwam de Regeerings-Commissaris ter reede van Atjeh aan, terwijl denzelfden dag de transportvloot met de expeditionnaire macht aan boord, de reede van Batavia verliet.

Na het sluiten van het Sumatra-tractaat had het legerbestuur reeds de noodige voorbereidende maatregelen getroffen voor het uitrusten eener * expeditie, welke vermoedelijk binnen korten tijd noodzakelijk zou zijn. Omtrent land en volk bezat men echter slechts geringe kennis. Zoo kende men b. v. de juiste ligging van de hoofdplaats van Atjeh niet, terwijl "voldoende gegevens ontbraken betreffende het aantal der weerbare mannen, die door den Sultan tegen ons in het veld konden worden gebracht. Afgaande echter op hetgeen de Indische oorlogen tot dat tijdstip geleerd hadden, mocht de uitrusting en organisatie van de 1ste expeditie naar Atjeh voldoende genoemd worden, in verband met het beoogde doel en den vermoedelijk te verwachten tegenstand. Bovendien werd op Java een tioepenmacht in reserve gehouden, bestaande uit 2 bataljons infanterie met de noodige artillerie en genietroepen, om zoo noodig onmiddellijk ter versterking van de expeditionnaire colonne naar Atjeh te vertrekken.

Samenstelling der expeditie.

Opperbevelhebber: generaal-majoor J. H. R. Köhler;

Regeerings-Commissaris: F. Nieuwenhuijzen, Vice-president van den Raad van Indië;

tweede bevelhebber, tevens commandant der expeditionnaire Infanterie: kolonel der Infanterie E. C. van Daalen;

chef van den staf: kolonel der Genie A. W. Egter van Wissekebke;

voorts een staf van 6 officieren.

LANDMACHT.

Infanterie: .

3de bataljon, (2 compagniëen Europeanen en 4 eompagniëen Ambonnezen) onder majoor F. Cavaljé;

Sluiten