Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

y.

„ïDe obei^te beu In ei cl b fiomt."

Ik zal niet meer veel met u spreken: want de overste dezer wereld komt, en heeft aan mij niets. Joh. 14 : 30.

Er ligt voor uw menschelijk gevoel iets diep beschamends in, dat uw Heiland op de vraag: Wie is eigenlijk de overste dezer wereld ? — tot vier malen toe antwoordt: „De overste, het hoofd, de koning van uw wereld, o kind des menschen, is niet uw God, noch zijn Gezalfde, noch ook zijt gijzelf, maar is Satan."

\ aak is dit misverstaan, en heeft men zich ingezet in den waan, alsof Jezus hiermee te kennen gaf, dat Satan door God als „overste der wereld" was aangesteld.

Hiervan is natuurlijk geen sprake.

Neen, als uw Heiland, hoe nader hij aan Golgotha komt, met te meer klem er op wijst, dat de overste der wereld Satan is, drukt hij hiermede uit, hoe de toestand feitelijk is.

Hij zegt niet: „Satan is rechtens de overste der wereld", noch ook: „Satan moet, tot ik hem opvolg op den troon, de overste der wereld blijven."

Al wat Jezus uitspreekt, komt hierop neer, dat Jezus verklaart: Het is zoo, het feit ligt er toe, het baat niet het te ontkennen, Satan is, gelijk nu eerst, nu ik naar Golgotha ga, recht scherp en duidelijk uitkomt, Satan is de overste der wereld.

Er is een wereld; op die wereld wonen menschen; in de wereld dier menschenkinderen heerscht zekere geest; die heerschende geest voert den boventoon; wat tegen dien geest opwoelt of zich verzet, legt het ten slotte toch af; en die heerschende geest die in de

Sluiten