Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXII.

„Jtëeent niet ober mij."

En Jezus, zich tot haar keerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem, weent niet over mij, maar weent over uzelve, en over uw kinderen.

Lukas 23 : 28.

Leed koelt en stompt ten leste in den lijder alle deelnemende liefde af.

Als eigen leed overmant en overstelpt, komt men onder den indruk dat anderer leed minder geweldig is, dat ónze smart het in bitterheid van anderer smarte wint, en dat het eisch der liefde is voor anderen om zich met ons lijden bezig te houden, maar dat het bij eigen leed nog bovendien dragen van anderer leed van ons niet kan worden gevergd.

Eigen leed als het tot zekere hoogte klimt, schijnt ontslag van den_ plicht, om in anderer leed te deelen, met zich te brengen.

Xatuurlijk geldt dit niet van elk leed. De mate van anderer leed kan uw smart zoo verre overstijgen en te boven gaan, dat ge u schamen zoudt, gezien bij de smart van uw naaste, van uw eigen leed ook maar te reppen.

Als bij een schipbreuk gij al uw schat en goed in de diepte zaagt wegzinken, maar een ander zag zijn wouw en kind voor zijn oogen verdrinken, hoe zoudt ge dan zoo onmenschelijk zijn, om straks, met dien ander gered, hem met uw verloren goud en zilver te vermoeien, en niet met hem te deelen in zijn verlies van vrouw en kind?

Xeen, die afstomping der deelnemende liefde treedt pas in, zoo uw eigen leed u de wateren tot aan de lippen deed komen, en anderer leed aan het uwe nauwelijks evenredig is.

Sluiten