Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIX. „Jügne ïtfeeberen."

Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld. Matth. 27 : 35.

Ze hebben .Jezus, toen ze hem op het kruis leggen, aan het kruis nagelen en met het kruis opheffen zouden, eerst zijn kleederen uitgetogen.

Dezen smaad heeft de Heere diep gevoeld.

Beeds vooruit gevoeld, nog eer hij in het vleesch kwam. Want reeds van Davids lippen zong hij door den Heiligen Geest: „Zij deelen mijne kleederen onder zich en werpen het lot over mijn gewaad!" (Ps. 22 : 19).

Reeds eeuwenlang, eer het er aan toekwam, heeft Jezus den smaad in al zijn bitterheid vooruitgeproefd, die met dit afnemen van de kleederen van zijn lichaam hem, den Heere der heerlijkheid, overkomen zou.

Zijn kleed zelf uit te trekken is het heilig privilegie van de eenzaamheid en van het huislijk verborgene, zelfs voor den armste op aarde. Maar zijn kleederen zich met geweld door anderen te zien uittrekken; de kleederen publiek op straat te worden uitgetrokken ; niet alleen uw bovenkleed, maar al uw kleederen; tot eindelijk het naakte lijf te voorschijn komt en ieder woest oog zich aan het verborgenste van uw teederder leven vergapen kan, o, het is alle eeuwen de smaad van vervloekte misdadigers geweest, maar nooit één boosdoener heeft zoo ontzettend als de heilige Jezus onder dien smaad van het naakt ten toon gesteld worden geleden.

Dat klagen: Ze hebben mijne kleederen uitgetogen! was reeds in den psalm de bittere angstkreet van het hart, als smeekte de Immanuül, dat het toch tot dat uiterste niet mocht komen.

Sluiten