Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedachten kan hij gif mengen, en dan die gedachte vlijmend toescherpen, en aan die gedachte weerhaken geven, tot ze wondt vergiftigt en zitten blijft.

Christus is het Woord, het Woord dat in den beginne bij God en God was. En uit Hem is óns het woord toegekomen, de gedachte en de uiting der gedachte.

Onze eere, ons Goddelijk privilegie, zoo dat woord en die gedachte ons uit den mond vloeiden naar het Goddelijk bestel. Maar ook onze diepste ^ zelfonteering, zoo we die gave van het woord tegen het heilige richtten, en niet eere en lof, maar smaad en lastering voortbrengen, lastering om te kwellen en te dooden, waar het woord liefde ademen en leven wekken moest.

En hier keert zich dit in smading omgezette woord tegen het Woord. Het is de Gever van het woord, die met zijn eigen o-ave gehoond wordt.

Het is uw Jezus, die als het Woord, als de Zone Gods, in zijn stervensweeën nog op zijn Goddelijk hart wordt getrapt. „Indien gij de Zone Gods zijt, kom af van het kruis".

Zoo blies Satan het hun in. Zoo heeft Jezus het gevoeld. Zoo was de toeleg in de wonde, die Jezus werd toegebracht.

Maar zij die voorbijgingen, wisten niet wat ze deden.

Zij geloofden niet, dat Jezus de Zone Gods, en het eeuwige Woord,

en lsraëls Messias was. \ oor hen was Jezus een dweper, een die zichzelf misleidde en het volk misleid had.

Hun zonde was juist, dat ze niet aan Jezus geloofden. Maar in dit hun ongeloof werden ze de instrumenten van Satan, en door hen heeft Satan Jezus nog in zijn sterven gekweld.

In kalme, heilige majesteit heeft Jezus ook dien bittersten aanval doorstaan, en ook hier werd het woord vervuld: de Overste der wereld komt, maar heeft aan mij niets.

Niet Jezus, de medekruiseling nam op dit sarrend lasteren het woord: \ reest gij God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt ? En toen sprak Jezus van het Paradijs. Geen gedachte van weerwraak hemelsche gedachten vervulden zijn ziel.

Maar op ons zet Satan zijn boosaardig handwerk voort. Wij roemen in het kindschap. We belijden van Jezus te zijn. We betuigen te weten, dat we uit den dood overgegaan zijn in het even. En nu komt Satan, soms zelf in zielsverzoeking, doch meest door menschen, ook op ons af, en roept ons toe: Indien ge dan kinderen Gods zijt, waarom weerstaat ge mij dan niet, waarom kan de zonde u dan nog telkens verrassen, waarom schiet ge dan nog zoo telkens m uw geloof, in uw liefde, in uw heiligen wandel te kort r

In den grond dezelfde lastering van onzen staat. Tegen Jezus •

Sluiten