Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Bepaald", ook opdat het kruis van den Zoon van God in steê van de zielen te verbijsteren en te verwarren, juist omgekeerd een bezegeling van den Woorde Gods in ons oog zou zijn.

„Bepaald", niet het minst, opdat de Christus zelf, dit al vooruit doorlevende, duizend dooden sterven zou eer hij stierf, en daardoor met helder bewustzijn, d. i. met zedelijke wilskracht en overgave, geen in bedwelming over hem uitgestort, maar een in nuchtere klaarheid vooruit gezien lijden, doorworstelen zou.

Of mag, kan dit niet?

Is dit voor God te wonderbaar?

Maar, ik bid u, zal een moeder, wier zoon tot het martelvuur gedoemd is, dan wél in haar gezichten des daags en in haar droomen des nachts, doorleven kunnen al wat haar kind doorworstelen gaat, doorleven kunnen en mogen en het vooruit als zien, die ketenen, en dien optocht, en die houtmijt en dat vuur en dien paal en die beulen en dat stuiptrekken, — en zal God Almachtig, als Hij zijn eenig Geliefde voor u in den dood geeft, daarmee dan niet in die bijzonderheden mogen bezig zijn, dat niet mogen vooruitzien, dat niet mogen indenken, en zich vergenoegen moeten met een ruw, omtrekloos beeld van de ure der duisternis die komt!

En indien wel, indien ge dan toch gevoelt, dat Golgotha, reeds bij schepping en verbondssluiting, om de liefde des Welbehagens,, middelpunt van Gods gedachten was; dat liet niet anders kon of God de Vader moest met het lijden zijns Zoons bezig zijn; ja, dat bij al zijn heilig scheppen en bezielen altijd weêr dat kruis voor zijn heilig oog in al zijn sombere tinten moest opdoemen, — zeg mij dan, mijn broeder, waarom aarzelt gij dan nog?

Of ziet de Heere dan soms, naar uw kleinheid, slechts de „groote omtrekken", zonder op „het kleine" te merken? En, ik dacht, elk haar van üw hoofd zou geteld zijn! En dan niet de doornen, die dat gezegend hoofd aan bloed zouden schrijnen?

Of heeft de Vader dan al deze smart en smaad wel in zijn voorkennisse gezien, maar mocht of kon Hij er niet van spreken '

En indien Hij, toch tot en door zijn profeten sprekende, wat immers ook gij belijdt, niet van dien Zoon, veel min nog van dat „Lam dat ter slachting gaat" zwijgen kón, is het u dan zoo vreemd, dat die Zoon, mensch geworden, en dat boek der profetie openslaande, daarin vond en zag en las wat zijn Vader in de hemelen in zijn eeuwige liefde, voor hem vooruitgeleden, over hem beraamd, van hem gesproken had, — en beseft ge dan niet met wat volle teugen die Zoon, eer hij lijden ging, een zoo teedere liefde indronk, die juist in dat kleine, in dat bijzondere zoo goddelijk uitblonk, hem zoo teeder toesprak, en onderving bij het zinken?

o, Beschouw het in dat licht: Die Kjdensprofetie in het Oude

Sluiten