Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is gekomen, en van de ontzettende natuurteekenen, die eens Jezus' wederkomst begeleiden zullen.

Als 0111 der zonde wil de vloek over de aarde komt, wat is dit anders dan een meêtreuren van de natuur met den gevallen mensch, het afleggen van het paradijsgewaad, 0111 in het rouwgewaad van den vloek de zonde van den menseh te beweenen.

De zonde is toch ook geestelijk van aard; en ze kan niet in het vleesch schuilen, of hoe zou Satan anders, die geen vleesch heeft, zonde hebben kunnen, en voor ons de inblazer van alle zonde geworden zijn ?

E11 toch, die geestelijke gebeurtenis van den zondeval, tast niet alleen ook 's menschen lichamelijke natuur aan, en brengt ons hier den tijdelijken dood, maar dringt derwijs in heel de natuur in, dat heel haar gelaat verdonkerd wordt, en doornen en distelen het teeken worden van haar nieuwe gedaante.

En geheel datzelfde is u in de Heilige Schrift immers ook bij de toekomst van den Ueere Christus voorzegd?

Dan niet alleen zielen die worden gezaligd, maar ook lichamen die opgewekt en verheerlijkt worden.

Maar dit niet alleen. Duidelijk zegt de Openbaring u, dat er ook teekenen en ontzettende gebeurtenissen zullen zijn in zon en maan en starren, in de zeeën en de rivieren der aarde.

Ja, ten slotte dat heel deze aardsche natuur in één ontzettenden wereldbrand zal opgaan, om uit dien wereldbrand een nieuwe aarde, een verheerlijkte natuur, een natuur heerlijker dan eens het Paradijs was, te doen voortkomen.

En zeg 1111 niet, dat de natuur dit alles wel ondergaat, maar dat er toch in die natuur zelve geen meeleven is.

Of zegt dan niet de apostel Paulus ons, dat „de natuur met opgeheven hoofde zucht, wachtende op de openbaring der kinderen Gods ? Want dat de natuur aan den vloek onderworpen is, niet gewillig, maar door diens wil, die haar aan den vloek onderworpen heeft, op hoop, dat ook deze natuur zelve zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. "Want, zoo besluit hij, wij weten, dat de (jeheele natuur ie namen zucht en Ie zamen in barensnood is tot nu toe."

En hoe zoudt ge dan zeggen, dat een natuur, die als de zonde komt het rouwfloers aantrekt, en nog steeds zuchtende wacht op de openbaring der heerlijkheid die komt, niet meê zou gebeefd hebben, toen het groote pleit ook over haar toekomst beslist werd, en de Middelaar, die tevens haar Schepper was, wegstierf in den dood aan het kruis.

Sluiten