Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daaronder volgde typisch opper-oliogeen van 170—3(50 M.: een zeer vaste en dichte, zandige klei. Uitpompen van het boorgat bewees ook dat deze grond volkomen droog was. Het opper-oligoceen was zelfs vrij fossielrijk, doch de schelpen waren zeer week, zoodat zij met veel zorg uit de kernen moesten geprepareerd worden. Dit verklaart duidelijk dat zij onder den beitel geheel verpoederd werden en er nauwelijks een spoor van bovenkwam (stukjes Turritella Geinitxi); de harde, kleine mioceen-schelpen echter bleven beter heel en leverden vele duidelijk determineerbare exemplaren of ten minste fragmenten. De miocene schelpen waren blijkbaar tot 420 M. diepte in den spoelwater-kolom gebleven, mogelijk vernieuwd door naval van boven.

De in vroegere jaarverslagen van de Rijksopsporing van Delfstoffen en elders gegeven tertiair-profielen zijn thans in • het laatste jaarverslag gewijzigd en aangevuld geworden en luiden nu als volgt:

TERTIAIR PROFIELEN DER DIEPBORINGEN IN DE PEEL.

™ena- ^5 M^eL Baarl°" Am8rioa'

Diluvium (en alluvium) en eventueele oudere fluvia-

tiele lagen. 0—20 0—19 0—58 0—10 0—8 0—23

Fossielarme glauco-

nietzanden. 20—105 19—86 58—150 V 10—94 8—92 23—80

Opper-mioceen.

Fossielvoerend

midden-miooeen. 105—190 86—170 150 ?—210 94—180 92—170 80—160 Fossielvoerend

opper-oligoceen. 190—350170—355 210—375? 180—345 170—360 160—350

Fossielarm ouder Midden-Oligoceen: 350—452

Tertiair. vanaf 350 vanaf 355 vanaf 375 vanaf 345 vanaf 360 Onder-Oligoceen: 452—479

Onder-Eoceen, en wel: Landenien en Heersien: 479—577

Paleaoceen: 577—587

Sluiten